Rechtspraak
Hoge Raad
2025-02-14
ECLI:NL:HR:2025:250
Bestuursrecht; Belastingrecht
Cassatie
1,521 tokens
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/04180
Datum 14 februari 2025
ARREST
op het door A.F.M.J. Verhoeven ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 10 oktober 2024, nrs. BK-23/603 tot en met BK-23/615.
Beoordeling
1.1
Het beroep in cassatie is volgens het beroepschrift ingesteld namens [X] B.V. Het beroepschrift is ondertekend door A.F.M.J. Verhoeven (hierna: de indiener van het beroepschrift).
1.2
Bij het beroepschrift is een stuk overgelegd ten bewijze dat [X] B.V. de indiener van het beroepschrift heeft gemachtigd dit cassatieberoep in te stellen (hierna: de machtiging) met daarbij een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van [X] B.V. Aangezien uit die stukken niet blijkt dat degene die de machtiging heeft ondertekend, bevoegd was om dat namens [X] B.V. te doen, heeft de griffier van de Hoge Raad de indiener van het beroepschrift verzocht binnen een termijn van zes weken stukken over te leggen waaruit deze bevoegdheid blijkt.
1.3
Uit de stukken die de indiener van het beroepschrift op 10 januari 2025 heeft overgelegd, blijkt evenmin dat degene die de machtiging heeft ondertekend, bevoegd was dat namens [X] B.V. te doen. Daarom gaat de Hoge Raad ervan uit dat de indiener van het beroepschrift niet bevoegd was om namens [X] B.V. beroep in cassatie in te stellen en zal de Hoge Raad om die reden het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.
2Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2025.
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/04180
Datum 14 februari 2025
ARREST
op het door A.F.M.J. Verhoeven ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 10 oktober 2024, nrs. BK-23/603 tot en met BK-23/615.
Beoordeling
1.1
Het beroep in cassatie is volgens het beroepschrift ingesteld namens [X] B.V. Het beroepschrift is ondertekend door A.F.M.J. Verhoeven (hierna: de indiener van het beroepschrift).
1.2
Bij het beroepschrift is een stuk overgelegd ten bewijze dat [X] B.V. de indiener van het beroepschrift heeft gemachtigd dit cassatieberoep in te stellen (hierna: de machtiging) met daarbij een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van [X] B.V. Aangezien uit die stukken niet blijkt dat degene die de machtiging heeft ondertekend, bevoegd was om dat namens [X] B.V. te doen, heeft de griffier van de Hoge Raad de indiener van het beroepschrift verzocht binnen een termijn van zes weken stukken over te leggen waaruit deze bevoegdheid blijkt.
1.3
Uit de stukken die de indiener van het beroepschrift op 10 januari 2025 heeft overgelegd, blijkt evenmin dat degene die de machtiging heeft ondertekend, bevoegd was dat namens [X] B.V. te doen. Daarom gaat de Hoge Raad ervan uit dat de indiener van het beroepschrift niet bevoegd was om namens [X] B.V. beroep in cassatie in te stellen en zal de Hoge Raad om die reden het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.
2Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2025.
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/04180
Datum 14 februari 2025
ARREST
op het door A.F.M.J. Verhoeven ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 10 oktober 2024, nrs. BK-23/603 tot en met BK-23/615.
Beoordeling
1.1
Het beroep in cassatie is volgens het beroepschrift ingesteld namens [X] B.V. Het beroepschrift is ondertekend door A.F.M.J. Verhoeven (hierna: de indiener van het beroepschrift).
1.2
Bij het beroepschrift is een stuk overgelegd ten bewijze dat [X] B.V. de indiener van het beroepschrift heeft gemachtigd dit cassatieberoep in te stellen (hierna: de machtiging) met daarbij een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van [X] B.V. Aangezien uit die stukken niet blijkt dat degene die de machtiging heeft ondertekend, bevoegd was om dat namens [X] B.V. te doen, heeft de griffier van de Hoge Raad de indiener van het beroepschrift verzocht binnen een termijn van zes weken stukken over te leggen waaruit deze bevoegdheid blijkt.
1.3
Uit de stukken die de indiener van het beroepschrift op 10 januari 2025 heeft overgelegd, blijkt evenmin dat degene die de machtiging heeft ondertekend, bevoegd was dat namens [X] B.V. te doen. Daarom gaat de Hoge Raad ervan uit dat de indiener van het beroepschrift niet bevoegd was om namens [X] B.V. beroep in cassatie in te stellen en zal de Hoge Raad om die reden het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.
2Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2025.