Rechtspraak
Hoge Raad
2025-02-11
ECLI:NL:HR:2025:199
Strafrecht
Cassatie
1,752 tokens
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01541 B
Datum 11 februari 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel van 6 maart 2024, nummer RK 24/002080, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de klager.
Procesverloop
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De raadsman van de klager A.W. Syrier, advocaat in Utrecht, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
Beoordeling
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van de rechtbank “dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag zal bevelen”.
2.2
Het procesverloop, de door de klager en het openbaar ministerie ingenomen standpunten en het oordeel van de rechtbank zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2 tot en met 2.6.
2.3
Gelet op de in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.3 tot en met 3.5 genoemde rechtspraak van de Hoge Raad en het daarin onder 3.8 besproken motiveringsgebrek in de beschikking van de rechtbank, slaagt het cassatiemiddel in zoverre. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.
Dictum
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Overijssel, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2025.
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01541 B
Datum 11 februari 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel van 6 maart 2024, nummer RK 24/002080, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de klager.
Procesverloop
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De raadsman van de klager A.W. Syrier, advocaat in Utrecht, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
Beoordeling
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van de rechtbank “dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag zal bevelen”.
2.2
Het procesverloop, de door de klager en het openbaar ministerie ingenomen standpunten en het oordeel van de rechtbank zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2 tot en met 2.6.
2.3
Gelet op de in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.3 tot en met 3.5 genoemde rechtspraak van de Hoge Raad en het daarin onder 3.8 besproken motiveringsgebrek in de beschikking van de rechtbank, slaagt het cassatiemiddel in zoverre. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.
Dictum
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Overijssel, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2025.
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01541 B
Datum 11 februari 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel van 6 maart 2024, nummer RK 24/002080, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de klager.
Procesverloop
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De raadsman van de klager A.W. Syrier, advocaat in Utrecht, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
Beoordeling
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van de rechtbank “dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag zal bevelen”.
2.2
Het procesverloop, de door de klager en het openbaar ministerie ingenomen standpunten en het oordeel van de rechtbank zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2 tot en met 2.6.
2.3
Gelet op de in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.3 tot en met 3.5 genoemde rechtspraak van de Hoge Raad en het daarin onder 3.8 besproken motiveringsgebrek in de beschikking van de rechtbank, slaagt het cassatiemiddel in zoverre. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.
Dictum
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Overijssel, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2025.