Rechtspraak
Hoge Raad
2025-12-19
ECLI:NL:HR:2025:1968
Bestuursrecht; Belastingrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,794 tokens
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/00573
Datum 19 december 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ZOETERMEER
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 januari 2025, nrs. BK-24/577 en BK-24/631, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar en het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 23/6179) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door N.G.A. Voorbach, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 3 oktober 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Beoordeling
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
ECLI:NL:GHDHA:2025:77.
ECLI:NL:PHR:2025:1069.
Volledig
ECLI:NL:HR:2025:1968 text/xml public 2026-02-27T11:23:30 2025-12-19 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2025-12-19 25/00573 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2025:77 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1069 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2025121904 NDFR Nieuws 2025/2039 FutD 2025-2498 NTFR 2026/75 Belastingblad 2026/62 NLF 2026/0027 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1968 text/html public 2025-12-19T09:58:59 2025-12-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2025:1968 Hoge Raad , 19-12-2025 / 25/00573 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/00573 Datum 19 december 2025 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ZOETERMEER op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 januari 2025, nrs. BK-24/577 en BK-24/631 , op het hoger beroep van de heffingsambtenaar en het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 23/6179) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door N.G.A. Voorbach, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 3 oktober 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. 2 Beoordeling van de middelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025. ECLI:NL:GHDHA:2025:77. ECLI:NL:PHR:2025:1069.
Volledig
ECLI:NL:HR:2025:1968 text/xml public 2026-02-27T11:23:30 2025-12-19 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2025-12-19 25/00573 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2025:77 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1069 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2025121904 NDFR Nieuws 2025/2039 FutD 2025-2498 NTFR 2026/75 Belastingblad 2026/62 NLF 2026/0027 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1968 text/html public 2025-12-19T09:58:59 2025-12-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2025:1968 Hoge Raad , 19-12-2025 / 25/00573 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/00573 Datum 19 december 2025 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ZOETERMEER op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 januari 2025, nrs. BK-24/577 en BK-24/631 , op het hoger beroep van de heffingsambtenaar en het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 23/6179) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door N.G.A. Voorbach, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 3 oktober 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. 2 Beoordeling van de middelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025. ECLI:NL:GHDHA:2025:77. ECLI:NL:PHR:2025:1069.