Rechtspraak
Hoge Raad
2025-12-16
ECLI:NL:HR:2025:1919
Strafrecht
Cassatie
2,477 tokens
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04424
Datum 16 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 november 2007, nummer 22-001245-07, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
Procesverloop
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.
Beoordeling
2.1
Het cassatiemiddel voert aan dat het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen.
2.2
Aan de verdachte is tenlastegelegd, kort gezegd, valsheid in geschrift, gepleegd in de periode van 4 maart 1997 tot en met 1 december 1999, meermalen gepleegd. Het hof heeft bij arrest van 16 november 2007 het tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf.
2.3
Het hiervoor genoemde feit is bij artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren is gesteld.
2.4
De aanzegging als bedoeld in artikel 435 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering is op 20 juli 2024 aan de verdachte betekend (uitgereikt). Uit de stukken blijkt niet dat gedurende twaalf jaren daaraan voorafgaand een daad van vervolging is verricht. De in artikel 70 lid 1, aanhef en onder 3º, Sr bepaalde termijn van verjaring is dus verstreken, zodat het recht tot strafvordering is vervallen.
2.5
De Hoge Raad zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.
Beoordeling
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede en het derde cassatiemiddel niet nodig.
Dictum
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de politierechter in de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 mei 2002;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025.
Volledig
ECLI:NL:HR:2025:1919 text/xml public 2026-02-06T10:07:29 2025-12-12 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2025-12-16 23/04424 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1237 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2025-0409 RvdW 2026/164 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1919 text/html public 2025-12-16T12:47:20 2025-12-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2025:1919 Hoge Raad , 16-12-2025 / 23/04424 Valsheid in geschrift (meermalen gepleegd) van 1997 tot en met 1999, art. 225.1 Sr. Verjaring, daad van vervolging (art. 70.1.3 Sr). Aan verdachte is tlgd. valsheid in geschrift gepleegd in periode van 4-4-1997 tot en met 1-12-1999, meermalen gepleegd. Hof heeft bij arrest van 16-11-2007 tlgd. bewezenverklaard en verdachte veroordeeld tot 6 weken gevangenisstraf. Dit feit is bij art. 225.1 Sr strafbaar gesteld als misdrijf waarop gevangenisstraf van ten hoogste 6 jaren is gesteld. Aanzegging a.b.i. art. 435.1 Sv is op 20-7-2024 aan verdachte betekend. Uit stukken blijkt niet dat gedurende 12 jaren daaraan voorafgaand daad van vervolging is verricht. In art. 70.1.3 Sr bepaalde termijn van verjaring is dus verstreken, zodat recht tot strafvordering is vervallen. HR verklaart OM n-o in vervolging. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/04424 Datum 16 december 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 november 2007, nummer 22-001245-07, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. 2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel voert aan dat het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen. 2.2 Aan de verdachte is tenlastegelegd, kort gezegd, valsheid in geschrift, gepleegd in de periode van 4 maart 1997 tot en met 1 december 1999, meermalen gepleegd. Het hof heeft bij arrest van 16 november 2007 het tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf. 2.3 Het hiervoor genoemde feit is bij artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren is gesteld. 2.4 De aanzegging als bedoeld in artikel 435 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering is op 20 juli 2024 aan de verdachte betekend (uitgereikt). Uit de stukken blijkt niet dat gedurende twaalf jaren daaraan voorafgaand een daad van vervolging is verricht. De in artikel 70 lid 1, aanhef en onder 3º, Sr bepaalde termijn van verjaring is dus verstreken, zodat het recht tot strafvordering is vervallen. 2.5 De Hoge Raad zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging. 3 Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede en het derde cassatiemiddel niet nodig. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de politierechter in de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 mei 2002; - verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2025:1919 text/xml public 2026-02-06T10:07:29 2025-12-12 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2025-12-16 23/04424 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1237 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2025-0409 RvdW 2026/164 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1919 text/html public 2025-12-16T12:47:20 2025-12-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2025:1919 Hoge Raad , 16-12-2025 / 23/04424 Valsheid in geschrift (meermalen gepleegd) van 1997 tot en met 1999, art. 225.1 Sr. Verjaring, daad van vervolging (art. 70.1.3 Sr). Aan verdachte is tlgd. valsheid in geschrift gepleegd in periode van 4-4-1997 tot en met 1-12-1999, meermalen gepleegd. Hof heeft bij arrest van 16-11-2007 tlgd. bewezenverklaard en verdachte veroordeeld tot 6 weken gevangenisstraf. Dit feit is bij art. 225.1 Sr strafbaar gesteld als misdrijf waarop gevangenisstraf van ten hoogste 6 jaren is gesteld. Aanzegging a.b.i. art. 435.1 Sv is op 20-7-2024 aan verdachte betekend. Uit stukken blijkt niet dat gedurende 12 jaren daaraan voorafgaand daad van vervolging is verricht. In art. 70.1.3 Sr bepaalde termijn van verjaring is dus verstreken, zodat recht tot strafvordering is vervallen. HR verklaart OM n-o in vervolging. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/04424 Datum 16 december 2025 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 november 2007, nummer 22-001245-07, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. 2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel voert aan dat het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen. 2.2 Aan de verdachte is tenlastegelegd, kort gezegd, valsheid in geschrift, gepleegd in de periode van 4 maart 1997 tot en met 1 december 1999, meermalen gepleegd. Het hof heeft bij arrest van 16 november 2007 het tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf. 2.3 Het hiervoor genoemde feit is bij artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren is gesteld. 2.4 De aanzegging als bedoeld in artikel 435 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering is op 20 juli 2024 aan de verdachte betekend (uitgereikt). Uit de stukken blijkt niet dat gedurende twaalf jaren daaraan voorafgaand een daad van vervolging is verricht. De in artikel 70 lid 1, aanhef en onder 3º, Sr bepaalde termijn van verjaring is dus verstreken, zodat het recht tot strafvordering is vervallen. 2.5 De Hoge Raad zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging. 3 Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede en het derde cassatiemiddel niet nodig. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de politierechter in de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 mei 2002; - verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025 .