Rechtspraak
Hoge Raad
2024-05-17
ECLI:NL:HR:2024:710
Civiel recht
Artikel 81 RO-zaken
503 tokens
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/00386
Datum 17 mei 2024
ARREST
In de zaak van
1. [verzoeker 1],
wonende te [woonplaats],
2. [verzoekster 2],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
hierna gezamenlijk: [verzoekers],
advocaat: J. van Weerden,
tegen
[de bewindvoerder], bewindvoerder in de schuldsanering van verzoekers tot cassatie,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats],
BELANGHEBBENDE in cassatie,
hierna: de bewindvoerder,
niet verschenen.
Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaken C/10/20/318 R en C/10/20/319 R van de rechtbank Rotterdam van 24 oktober 2023;
b. het arrest in de zaak 200.334.446/01 van het gerechtshof Den Haag van 30 januari 2024.
[verzoekers] hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De bewindvoerder heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Beoordeling
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Dictum
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 17 mei 2024.