Rechtspraak
Hoge Raad
2024-04-16
ECLI:NL:HR:2024:594
Strafrecht
Cassatie
1,216 tokens
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00360
Datum 16 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 januari 2023, nummer 21-004902-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,
hierna: de verdachte.
Procesverloop
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ten aanzien van de vastgestelde proeftijd van drie jaren, tot bepaling van de proeftijd op twee jaren en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
Beoordeling
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd en dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van twee door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 tot en met 12.
Beoordeling
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 14b (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) de duur van de proeftijd heeft bepaald op drie jaren.
3.2
Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor het “met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd”. Het dictum van de uitspraak van het hof houdt onder meer in:
“BESLISSING
Het hof:
(...)
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.”.
3.3
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.
- Artikel 14b lid 2 (oud) Sr:
“De proeftijd bedraagt in de gevallen bedoeld in artikel 14c, eerste lid, en tweede lid, onder 3° en 4°, ten hoogste twee jaren en in de overige gevallen ten hoogste drie jaren.”
- Artikel 14c lid 1 Sr:
“Toepassing van artikel 14a geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.”
3.4
Het hof heeft aan de algemene voorwaarde dat de verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, een proeftijd verbonden van drie jaren. De duur van deze proeftijd is in strijd met artikel 14b (oud) Sr zoals deze bepaling luidde ten tijde van het bewezenverklaarde. Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht.
3.5
De Hoge Raad zal deze misslag herstellen en de zaak zelf afdoen door de duur van de proeftijd te verminderen in die zin dat is voldaan aan het destijds wettelijk bepaalde maximum van twee jaren.
3.6
Opmerking verdient nog dat een kennelijke misslag als deze zich bij uitstek leent voor herstel door het hof zelf. Het gaat immers om een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechters die op de zaak hebben gezeten overeenkomstig de beslissingen van de Hoge Raad in de arresten van 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243 en 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478. Deze wijze van herstel verdient de voorkeur, omdat daardoor op korte termijn en op een eenvoudige wijze ondubbelzinnig duidelijkheid komt te bestaan over de voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing. Wanneer in zo’n geval zekerheidshalve – naast het doen van het verzoek om een herstelarrest – ook cassatieberoep is ingesteld, kan dat beroep of het betreffende cassatiemiddel worden ingetrokken zodra het herstelarrest is gewezen.
Dictum
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de vastgestelde proeftijd van drie jaren;
- bepaalt de proeftijd op twee jaren;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2024.