Rechtspraak
Hoge Raad
2024-04-02
ECLI:NL:HR:2024:510
Strafrecht
Cassatie
595 tokens
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02202 B
Datum 2 april 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel van 20 mei 2022, nummers RK 22/50 en 22/51, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv, ingediend
door
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats ] op [geboortedatum ] 1980
en
[klaagster]
geboren te [geboorteplaats ] op [geboortedatum ] 1981,
hierna: de klagers.
Procesverloop
Het beroep is ingesteld door de klagers. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd deels tot niet-ontvankelijk verklaring van de klagers in het beroep in cassatie en deels tot verwerping van het beroep.
Beoordeling
De Hoge Raad kan het cassatieberoep van de klagers voor zover dit ziet op het inbeslaggenomen voorwerp met nummer 36 niet in behandeling nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3. Het cassatiemiddel blijft daarom onbesproken.
Beoordeling
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Dictum
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het gericht is tegen de beslissing van de rechtbank dat het klaagschrift ten aanzien van voorwerp nummer 36 (Apple airpods) niet-ontvankelijk is;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2024.