Rechtspraak
Hoge Raad
2024-10-04
ECLI:NL:HR:2024:1368
Bestuursrecht; Belastingrecht
Cassatie
559 tokens
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/02680
Datum 4 oktober 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN HET UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 mei 2023, nrs. 21/4365 WW en 21/4366 WW, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Overijssel (nrs. AWB 20/1950 en AWB 21/1444) betreffende een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van de Werkloosheidswet.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Beoordeling
Op grond van artikel 129d, lid 1, van de Werkloosheidswet kan beroep in cassatie worden ingesteld tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ter zake van schending of verkeerde toepassing van de artikelen 2 tot en met 12 en 14, lid 1, van die wet en de daarop berustende bepalingen.
Het onderhavige cassatieberoep betreft de in de artikelen 42 en volgende van de Werkloosheidswet geregelde uitkeringsduur en is daarom niet ingesteld ter zake van schending of verkeerde toepassing van voormelde bepalingen. De klachten kunnen daarom niet tot cassatie leiden.
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2024.
ECLI:NL:CRVB:2023:891.