Rechtspraak
Hoge Raad
2023-04-04
ECLI:NL:HR:2023:527
Strafrecht
Cassatie
2,507 tokens
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/03814
Datum 4 april 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 september 2021, nummer 21-005682-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.
Procesverloop
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Beoordeling
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Beoordeling
3.1
Het cassatiemiddel richt zich tegen de bewezenverklaring van het voorhanden hebben van vijftien stuks randvuur kogelpatronen. Het klaagt in het bijzonder dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat sprake is geweest van bewustheid bij de verdachte van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van die munitie op 19 maart 2018.
3.2.1
Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging bewezenverklaard dat:
“hij op 19 maart 2018 te Assen een wapen van categorie III, te weten een semi-automatisch grendelgeweer, en munitie van categorie III, te weten 15 stuks randvuur kogelpatronen, voorhanden heeft gehad.”
3.2.2
Met betrekking tot de bewezenverklaring heeft het hof het volgende overwogen:
“Het hof stelt op basis van het dossier het volgende vast.
Op maandag 19 maart 2018, omstreeks 10:45 uur, besluit de gemeente Assen (afdeling Handhaving en Toezicht), naar aanleiding van een binnengekomen melding bij de gemeente Assen, inhoudende dat mogelijk sprake is van illegale prostitutie in het bedrijfspand aan de [a-straat 1] te Assen, een controle te verrichten. Uit het pv-relaas blijkt dat door de burgemeester van Assen een machtiging tot binnentreden was afgegeven. Daarbij gingen de desbetreffende (drie) toezichthouders van de gemeente en verbalisant [verbalisant 1] als sterke arm mee naar het pand.
Aldaar aangekomen bleek dat de toegangsdeur van het bedrijfspand was afgesloten. Er was niemand aanwezig in het pand. Na ongeveer een half uur wachten arriveerde een man (het hof leest: verdachte) bij het pand die met een sleutel de toegangsdeur opende. Daarbij werd de man aangesproken door de toezichthouders. Met toestemming van deze man - die opgaf te zijn: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1972, wonende te [plaats] - betraden de toezichthouders, vergezeld van verbalisant [verbalisant 1] het bedrijfspand.
Eenmaal binnen het bedrijfspand rees het vermoeden bij verbalisant [verbalisant 1] dat er sprake was van een bordeel. Via de toegangsdeur kwamen zij in een kleine hal terecht. Hierin waren een wc en de meterkast geplaatst. Via een tweede deur kwamen zij in een grotere ruimte. In deze ruimte zag verbalisant [verbalisant 1] dat er een scheidingswand was geplaatst met daarin vier rode deuren. Achter drie van deze deuren was een kleine ruimte gemaakt waarin een tweepersoons bed was geplaatst. Van elk van deze ruimte was één wand rood geschilderd. Elke ruimte was nagenoeg op dezelfde wijze ingericht. In twee van de ruimtes zijn pakjes condooms aangetroffen en in één ruimte een tas met attributen die voor SM gebruikt worden.
In het voorportaal van deze grote ruimte was een stalen trap naar boven geplaatst. Op de verdiepingsvloer van de bovenruimte was een complete bar-inrichting geplaatst en een ruime zithoek met TV. In 1 ruimte beneden stond een massagetafel en geen bed.
Verder stond achterin deze ruimte aan de rechterzijde een soort kast die met schuifpanelen afgesloten was. Nadat verbalisant een schuifpaneel had verschoven, zag hij in deze kast een grote hoeveelheid potten met teelaarde. Er stonden geen planten in deze potten. Aan het plafond van deze kast waren twee assimilatielampen aangebracht. Verder was er een afzuiginstallatie aangebracht die verder niet aangesloten was op een leiding naar buiten. De elektrische installatie was ook niet aangesloten op het stroomnet.
Daarop heeft verbalisant [verbalisant 1] de verdachte op heterdaad aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet.
Kort daarna kwamen verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ter plaatse, nadat verbalisant [verbalisant 1] om versterking had gevraagd. Ter plaatse werd verbalisant [verbalisant 3] bijgesproken door verbalisant [verbalisant 1] over de aangetroffen situatie. Verbalisant [verbalisant 1] leidde verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] door het pand en liet hen onder andere de kamer zien waar de in aanbouw zijnde hennepkwekerij was gesitueerd.
Verbalisant [verbalisant 3] zag dat in het pand een trap naar een eerste verdieping liep. Toen hij boven kwam op deze eerste verdieping zag hij een zitje met twee zitbanken, salontafel en televisie. Daarnaast zag hij een eettafel met meerdere stoelen en een bar met barkrukken.
Achter deze bar zag verbalisant [verbalisant 3] een horecakoelkast staan met daarop de reclametekst 'Pepsi'. Hij zag dat deze koelkast een doorzichtige deur had van glas en hij zag meerdere flesjes drinken in de koelkast staan.
Verbalisant [verbalisant 3] zag vervolgens op de tweede plank van boven in de koelkast een opgerolde gele keukendoek liggen. Omdat het verbalisant [verbalisant 3] ambtshalve bekend was dat verdovende middelen veelal gekoeld bewaard worden, en in het pand een in opbouw zijnde hennepkwekerij werd aangetroffen, pakte hij de opgerolde keukendoek uit de koelkast en keek wat er in zat. Verbalisant [verbalisant 3] zag dat hierin een magazijn/patroonhouder in zat welke gevuld was met patronen die gelijkend waren op kaliber .22 patronen.
Verbalisant [verbalisant 3] keek vervolgens om zich heen of hij een vuurwapen zag waar de patronen mogelijk bij konden horen. Vrijwel direct zag hij onder de balie een op een geweer gelijkend voorwerp staan. Dit stond open en bloot onder de balie waarna verbalisant [verbalisant 3] het geweer gepakt heeft. Verbalisant [verbalisant 3] zag toen op het geweer het merk ‘Lakefield' staan met daarbij 'Model 64B .22 CAL'. Hij zag dat er op de onderkant van het geweer een opening zat waar ruimte was voor een magazijn. Hij zag aan de vorm van het magazijn en de opening voor het magazijn in het geweer dat dit passend moest zijn.
Toen verbalisant [verbalisant 3] vervolgens het magazijn paste op het geweer bleek dit ook het geval en behoorde het magazijn bij het geweer. In overleg met de hulpofficier van justitie Prak werd besloten het geweer en de munitie in beslag te nemen en verder geen zoeking te verrichten in het pand.
Verdachte heeft verklaard op vragen van de politie - zakelijk weergegeven - als volgt:
V: Als wij jou vertellen dat wij een houder met patronen hebben aangetroffen... Hoe kan dit dan?
A: Dat weet ik niet. Ik wist dat er 2 hebben gelegen. Ik wist niet anders (het hof begrijpt: dan) dat het weg was.
V: Ook is er een vuurwapen aangetroffen, wat kun je daarover vertellen?
A: Dat is mijn luchtbuks. Ik heb hem gekocht in Zuidbroek op de vlooienmarkt voor € 15,-.
U heeft mij foto's laten zien van het wapen [en] de bijbehorende munitie die in de koelkast is aangetroffen in een geel doekje, het wapen wat is aangetroffen onder de bar is mijn eigendom. Ik heb dat gekocht op de rommelmarkt in Zuidhoek in de verkoophallen aldaar. Ik heb dat in mijn vorige verklaring ook al gezegd. Ik heb dat wapen gekocht van een kennis van mij en ik heb daar 15 euro of 35 euro voor betaald. Die kennis van mij vertelde mij dat het een luchtbuks was. Pas later kwam hij ermee op de proppen dat dit wapen ook geschikt was om andere munitie mee te verschieten. Dan zou het een vuurwapen zijn, maar daar heeft hij bij de verkoop nooit over gesproken.
U heeft mij verteld dat het wapen en de aangetroffen munitie is onderzocht en dat het een vuurwapen blijkt te zijn. De munitie die is aangetroffen in de koelkast is geschikt om met dat wapen te verschieten. Die munitie is niet mijn eigendom. Die kennis van mij is op een vrijdagavond of een zondagavond geweest in het pand en bracht toen die munitie mee. Mijn vrouw heeft mij later verteld dat hij deze munitie in de koelkast heeft gelegd. Zij vertelde mij dat hij wat had gebracht dat bij die buks behoorde. Ik heb toen gezegd tegen haar dat ik zal gaan kijken als ik daar mee ben.
Dictum
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het tenlastegelegde voorhanden hebben van vijftien stuks randvuur kogelpatronen en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2023.