Rechtspraak Hoge Raad 2021-01-08
ECLI:NL:HR:2021:32
Bestuursrecht
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 20/00866 Datum 8 januari 2021 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen 1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN 2. de STAAT (DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 februari 2020, nrs. 17/00869 tot en met 17/00871, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 16/2949, 16/2951 en 16/2952) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2010, 2011 en 2012 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.Zowel de Staatssecretaris als de Minister van Justitie en Veiligheid heeft een verweerschrift ingediend Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2021.