Rechtspraak
Hoge Raad
2020-09-11
ECLI:NL:HR:2020:1392
Bestuursrecht; Belastingrecht
Cassatie
397 tokens
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/01574
Datum 11 september 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 november 2016, nr. 201607191/2/A2, alsmede tegen de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 september 2017, nr. 201607191/3/A2, op het verzet van belanghebbende tegen de hiervoor vermelde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Beoordeling
Ingevolge artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie neemt de Hoge Raad enkel kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald. Er is geen wettelijke bepaling die beroep in cassatie openstelt tegen de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het beroep in cassatie dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.
2Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2020.