ECLI:NL:HR:2019:492
2 april 2019
Strafkamer
nr. S 17/01679 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op de beroepen in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 27 januari 2017, nummer RK 16/865, betreffende het verlenen van verlof als bedoeld in art. 552p, tweede lid, Sv, betreffende:
[klager 1]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985;
[klager 5]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986;
[klager 2]
, geboren [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991;
[klager 3]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957;
[klager 5]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988 en
[klager 4]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960.
1 Geding in cassatie
De beroepen zijn ingesteld door de belanghebbenden. Middelen van cassatie zijn namens dezen niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de belanghebbenden niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
Nu de belanghebbenden niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie hebben doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 447, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de belanghebbenden in het beroep niet kunnen worden ontvangen.
De Hoge Raad verklaart de belanghebbenden niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2019.