Rechtspraak
2017-12-22
ECLI:NL:HR:2017:3184
2,027 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:HR:2017:3184 text/xml public 2025-03-22T02:53:44 2017-12-18 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2017-12-22 16/04695 Uitspraak Cassatie NL Civiel recht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:991, Gevolgd Rechtspraak.nl NJB 2018/144 RvdW 2018/74 TvAR 2018/5940, UDH:TvAR/15112 met annotatie van W.J.E. van der Werf http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:3184 text/html public 2017-12-21T08:53:20 2017-12-22 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2017:3184 Hoge Raad , 22-12-2017 / 16/04695 Onteigening. Schadeloosstelling. Geen kenbare beslissing over enkele gevorderde schadeposten. Vergoeding omrijschade voor overblijvend perceel dat buiten het onteigende valt. Kosten deskundige bijstand. Samenhang met 16/04699. 22 december 2017 Eerste Kamer 16/04695 EV/IF Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser] ,wonende te [woonplaats] , EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, advocaat: mr. J.F. de Groot, t e g e n PROVINCIE NOORD-BRABANT, zetelende te ’s-Hertogenbosch, VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, advocaat: mr. M.W. Scheltema. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Provincie. 1 Het geding in feitelijke instantie Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaak C/02/298020 / HA ZA 15-258 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 mei 2015 en 13 juli 2016. De vonnissen van de rechtbank zijn aan dit arrest gehecht. 2 Het geding in cassatie Tegen het vonnis van de rechtbank van 13 juli 2016 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De Provincie heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot vernietiging en verwijzing in het principaal cassatieberoep en verwerping in het incidenteel cassatieberoep. De advocaat van [eiser] en de advocaat van de Provincie hebben ieder bij brief van 6 oktober 2017 op die conclusie gereageerd. 3 Uitgangspunten in cassatie 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) Op vordering van de Provincie is bij vonnissen van 27 mei 2015 vervroegd de onteigening uitgesproken van vijf percelen in de gemeente [woonplaats] (hierna: het onteigende). [eiser] was eigenaar van drie percelen; zijn overleden vader, [betrokkene 1] , was eigenaar van twee percelen. (ii) Het onteigende werd door [eiser] en zijn moeder gebruikt in het kader van een tussen hen bestaande vennootschap onder firma. (iii) De onteigening is geschied ter uitvoering van het Koninklijk Besluit van 1 september 2014, nr. 2014001589 (Stcrt. 2014, 27782), waarin voor de omlegging van een provinciale weg in de gemeente [woonplaats] (onder meer) het onteigende ter onteigening is aangewezen. (iv) De onteigeningsvonnissen zijn op 20 juli 2015 ingeschreven in de openbare registers. 3.2 De deskundigen hebben de schadeloosstelling voor [eiser] en [betrokkene 1] tezamen begroot op € 387.670,--. De rechtbank heeft de schadeloosstelling, voor zover in cassatie van belang, vastgesteld op € 390.019,--. 3.3 Deze zaak gaat over de drie percelen van [eiser] . In de zaak over de twee percelen die aan [betrokkene 1] toebehoorden, is vandaag ook uitspraak gedaan (zaak 16/04699, ECLI:NL:HR:2017:3109). 4 Beoordeling van het middel in het principale beroep 4.1.1 Onderdeel 5 van het middel richt zich tegen rov. 2.61 in samenhang met de rov. 2.59.2 en 2.59.3 van het vonnis van de rechtbank van 13 juli 2016. De rechtbank heeft daarin als volgt overwogen: “2.59.2. [eiser] stelt voorts dat de deskundigen hebben verzuimd te begroten dat het na aankoop van de grond achttien maanden duurt voordat de graszoden geoogst kunnen worden. De inkomensschade over deze periode bedraagt volgens [eiser] : 33.484 m2 à € 0,90 x 18 maanden = € 45.203,--. 2.59.3. Verder stelt [eiser] dat sprake is van stagnatieschade als gevolg van niet verkoopbare oogstbare graszoden ten tijde van het eindigen van het voortgezet gebruik van de percelen aan de Fransebaan, Deze schade bedraagt volgens [eiser] 12.400 m2 x € 2,10 (netto-opbrengst) x 90% (gemiddeld heeft men 10% verlies) = € 23.436,--. (…) 2.61. De rechtbank overweegt dat de deskundigen ter gelegenheid van het pleidooi hebben toegelicht dat de door [eiser] opgevoerde derving veel hoger is dan zoals blijkt uit de jaarstukken. De rechtbank is met de deskundigen van oordeel dat voor de berekening van de inkomensschade dient te worden uitgegaan van de gegevens zoals die blijken uit de door [eiser] overgelegde jaarstukken. Zij volgt het oordeel en de motivering van de deskundigen op dit punt en maakt deze tot de hare.” 4.1.2 Onderdeel 5 klaagt dat de rechtbank in rov. 2.61 ten onrechte geen, althans geen uit de motivering kenbare beslissing heeft genomen over de door [eiser] gevorderde schadeposten zoals weergegeven in de rov. 2.59.2 en 2.59.3. 4.1.3 Volgens vaste rechtspraak dient de onteigeningsrechter zelfstandig te onderzoeken welke schadevergoeding aan de onteigende toekomt. Indien de stukken van het geding hem daartoe aanknopingspunten verschaffen, dient hij ambtshalve onderzoek te doen naar de betekenis van die aanknopingspunten voor de schadeloosstelling. (Vgl. onder meer HR 9 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1069 en de daarin genoemde rechtspraak.) Voorts geldt dat het bedrag van de aan de onteigende toe te wijzen schadeloosstelling de compensatie dient te vormen voor de totale schade die de onteigende als rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van het verlies van het onteigende lijdt. Dit ligt besloten in de woorden“een volledige vergoeding” in art. 40 Ow. Daarom dient de rechtbank over elke door de onteigende gestelde schadepost en de hoogte daarvan, een gemotiveerde beslissing te nemen. (HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:523, NJ 2015/254) 4.1.4 Uit het hiervoor in 4.1.3 overwogene volgt dat de rechtbank zelfstandig diende te onderzoeken welke schadevergoeding aan [eiser] toekwam en over elke door [eiser] gestelde schadepost en de hoogte daarvan, een gemotiveerde beslissing diende te nemen. De rechtbank heeft in haar vonnis niet, althans uit de motivering niet kenbaar, beslist over de in de rov. 2.59.2 en 2.59.3 weergegeven, door [eiser] gevorderde schadeposten. Onderdeel 5 slaagt daarom. 4.2.1 Onderdeel 6 richt zich tegen rov. 2.64. De rechtbank heeft daarin als volgt overwogen: “2.64. (…) Ten aanzien van het verweer van [eiser] overweegt de rechtbank dat de door [eiser] berekende omrijschade met betrekking tot perceel L 77 buiten beschouwing moet worden gelaten. In het kader van onderhavige onteigening kan uitsluitend vergoed worden de omrijschade die het gevolg is van de onteigening en het werk, voor zover dat is gelegen op het onteigende. Perceel L 77 valt buiten het onteigende. (…)” 4.2.2 Onderdeel 6 klaagt dat de rechtbank in rov. 2.64 heeft miskend dat niet reeds vanwege de omstandigheid dat een overblijvend perceel “buiten het onteigende valt”, gezegd kan worden dat geen omrijschade van en naar dat perceel vergoed kan worden. Voor zover de rechtbank dit niet heeft miskend is het oordeel van de rechtbank niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd. Op de plaats waar de kop van perceel L77 grenst aan de weg, kon in de oude situatie de destijds aanwezige weg worden overgestoken. Dat kan in de nieuwe situatie niet meer door de aanleg van de provinciale weg op het onteigende. Dat laatste is hier relevant, en dus niet dat perceel L77 buiten het onteigende valt. De verminderde bereikbaarheid van perceel L77 is daarmee een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening, aldus onderdeel 6. 4.2.3 Vooraf wordt opgemerkt dat het geval dat in het onderhavige geding aan de orde is, wezenlijk verschilt van het geval dat aan de orde was in HR 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5629. Uit dat arrest (rov.