Rechtspraak 2017-12-08
ECLI:NL:HR:2017:3101
8 december 2017 Eerste Kamer 17/04220 LZ/MD Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [betrokkene] ,wonende te [woonplaats] , VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. C. Reijntjes-Wendenburg, t e g e n OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT LIMBURG, VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie. 1 Het geding in feitelijke instantie Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/03/236025/BZ RK 17/840 van de rechtbank Limburg van 13 juni 2017, de herstelbeschikking van 12 juli 2017 en de beschikking van 22 augustus 2017. De beschikkingen van de rechtbank zijn aan deze beschikking gehecht. 2 Het geding in cassatie Tegen de beschikking van de rechtbank van 13 juni 2017 heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend. De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing naar de rechtbank Limburg. 3 Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in de verpleeginrichting De Hazelhof, waarin betrokkene blijkens het verzoekschrift verbleef. (ii) Bij het verzoekschrift was onder meer een verklaring gevoegd, op 15 mei 2017 ondertekend door de niet bij de behandeling betrokken waarnemend Bopz-arts [betrokkene 1] , die betrokkene met het oog daarop heeft onderzocht. (iii) De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld en onder meer betrokkene en haar advocaat gehoord. De advocaat heeft als verweer gevoerd dat de geneeskundige verklaring niet is ondertekend door de geneesheer-directeur en daarom niet mag worden gebruikt voor de onderbouwing van de rechterlijke machtiging. 3.2 De rechtbank heeft de verzochte machtiging verleend en heeft met betrekking tot het hiervoor in 3.1 onder (iii) vermelde verweer overwogen: “De enkele stelling dat de geneeskundige verklaring niet is ondertekend door de geneesheer-directeur (…), is onvoldoende voor de conclusie dat de geneeskundige verklaring in dit geval niet mag worden gebruikt. De rechtbank zal aan die stelling derhalve voorbijgaan. Bovendien blijkt uit de geneeskundige verklaring dat zij op 15 mei 2017 is ondertekend door [betrokkene 1] als waarnemend Bopz-arts van de Cicerogroep. (…)” 3.3.1 Onderdeel IIa van het middel klaagt, samengevat, dat het oordeel van de rechtbank dat de geneeskundige verklaring voldoet aan de eisen van art. 16 lid 1 Wet Bopz, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Het onderdeel verwijst daartoe naar HR 21 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4428, NJ 2000/191. 3.3.2 Art. 16 lid 1 Wet Bopz bepaalt dat bij een verzoek tot het verkrijgen van een machtiging tot voortgezet verblijf een verklaring moet worden overgelegd van de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis waarin de betrokken patiënt verblijft. In de hiervoor in 3.3.1 genoemde beschikking heeft de Hoge Raad overwogen: “3.4 Gelet op de van de zijde van de regering vermelde redenen voor het voorschrijven van een verklaring van de geneesheer-directeur, moet aan de verklaring bedoeld in art. 16 lid 1 Bopz de eis worden gesteld dat deze door de geneesheer-directeur zelf wordt ondertekend ten blijke van zijn instemming met en verantwoordelijkheid voor de inhoud van de verklaring (HR 1 juli 1994, NJ 1994, 715-723). In dit verband moet volgens art. 1 lid 3 onder ‘geneesheer-directeur’ mede worden verstaan de arts die, hoewel geen directeursfunctie bekledende, belast is met de zorg voor de algemene gang van zaken op geneeskundig gebied in het psychiatrisch ziekenhuis. Als geneesheer-directeur moet ook worden aangemerkt de arts die vol