Rechtspraak 2017-11-21
ECLI:NL:HR:2017:2970
21 november 2017 Strafkamer nr. S 17/01529 B SB/DAZ Hoge Raad der Nederlanden Beschikking op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 27 januari 2017, nummer RK 16/1834, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door: [klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960. 1 Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft G.W.L.A.M. Koppen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2 Beoordeling van het eerste middel 2.1. Het middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat door de klager niet met succes een beroep kan worden gedaan op de onschendbaarheid van de consulaire archieven als bedoeld in het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen. 2.2.1. De preambule van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen, Trb. 1981, 143, (hierna: het Verdrag) luidt, in de Nederlandse vertaling, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang: "In de overtuiging dat een internationaal verdrag inzake consulaire betrekkingen, voorrechten en immuniteiten eveneens een bijdrage zou betekenen tot de ontwikkeling van vriendschappelijke betrekkingen tussen de volkeren, (...) Overtuigd dat het doel van deze voorrechten en immuniteiten niet is personen te bevoorrechten, maar te verzekeren dat de consulaire posten ten behoeve van hun onderscheiden Staten doelmatig functioneren." 2.2.2. De volgende bepalingen van het Verdrag zijn van belang en luiden in de Nederlandse vertaling als volgt: - art 1, eerste en tweede lid: "1 In dit Verdrag hebben de navolgende uitdrukkingen de hieronder aangegeven betekenissen: (...) (k) "consulair archief", alle bescheiden, stukken, correspondentie, en, films, geluidsbanden en registers van de consulaire post, alsmede het codemateriaal, de kaartsystemen en de meubels bestemd voor het beschermen of opbergen van deze zaken. 2 Er bestaan twee categorieën consulaire ambtenaren, beroeps-consulaire ambtenaren en honoraire consulaire ambtenaren. De bepalingen van Hoofdstuk II van dit Verdrag zijn van toepassing op consulaire posten met aan het hoofd een beroeps-consulaire ambtenaar, terwijl de bepalingen van Hoofdstuk III betrekking hebben op consulaire posten met aan het hoofd een honoraire consulaire ambtenaar." - art. 61, opgenomen in hoofdstuk III van het Verdrag: "De consulaire archieven en documenten van een consulaire post die geleid wordt door een honoraire consulaire ambtenaar zijn te allen tijde en waar deze zich ook mogen bevinden onschendbaar, mits zij gescheiden worden gehouden van andere papieren en documenten en in het bijzonder van de particuliere correspondentie van het hoofd van een consulaire post en van iedere persoon die met hem samenwerkt, alsmede van de goederen, boeken of documenten die betrekking hebben op hun beroep of bedrijf." 2.3.1. Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 13 januari 2017 houdt onder meer het volgende in: "[D]e voorzitter [houdt] voor het nadere standpunt van het Openbaar Ministerie d.d. 12 januari 2017 en de daarbij gevoegde stukken, waaronder een verklaring van de ambassadeur van Montenegro en geeft de raadsman de gelegenheid hierop te reageren." 2.3.2. Voormeld nader standpunt van de Officier van Justitie bevindt zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Daaraan is gehecht de verklaring van de Ambassadeur van Montenegro, gedagtekend 11 januari 2017, onder meer inhoudende: "I, (...), Ambassador Extraordinary and Plenipotentiary of Montenegro to Belgium, the Netherlands and Luxemburg, herewith declare the following: On 15 July 2016, I received a Note Verbale from the Ministry of Foreign Affairs of the Kingdom of the Netherlands (hereafter: the Ministry), stating that th 11 januari 2017 dat hij, na gehouden overleg met het ministerie van Buitenlandse Zaken van Montenegro, toestemming heeft gegeven tot het betreden van de consulaire post en het in beslag nemen van documenten voor zover deze geen betrekking hadden op consulaire zaken. Voorts heeft de officier van justitie verklaard dat het onderzoek in de strafzaak nog niet is afgesloten en dat het beslag derhalve gehandhaafd dient te blijven. De beoordeling (...) De officier heeft voldoende onderbouwd met een e-mail gedateerd 11 januari 2017 afkomstig van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dat de 'note verbal' niet mag worden overgelegd omdat dit diplomatieke post betreft. Met de verklaring van de ambassadeur van 11 januari 2017 acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht over de inhoud van deze 'note verbal' zodat de rechtbank geen aanleiding heeft gezien de officier van justitie op te dragen alsnog het fysieke stuk in te brengen. De rechtbank stelt vast dat uit de stukken en het verhandelde in raadkamer het volgende is gebleken. Klager wordt verdacht van – kortgezegd - het opzettelijk doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting, het valselijk opmaken van facturen en overeenkomsten en het gebruik maken van deze valse stukken en gewoontewitwassen. Tijdens het onderzoek naar deze strafbare feiten heeft op 13 juli 2016 een doorzoeking plaatsgevonden op het adres [a-straat 1] te Maastricht ten kantore van [A] B.V. waar eveneens de post van het consulaat van de staat Montenegro was gevestigd. Klager was van 14 oktober 2010 tot 28 juli 2016 honorair consul van Montenegro. Een medewerkster van klager merkte op dat de PC in de werkkamer 2 accounts bevatte, zowel van de consulaire post als een privé/zakelijk account, wat het vermoeden opleverde dat de werkkamer waar de consulaire post was gevestigd eveneens werd gebruikt als werkruimte van [A] B.V.. Dat vormde aanleiding voor de officier van justitie om de ruimte te verzegelen en door tussenkomst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in overleg te treden met de ambassade van Montenegro. Met verkregen schriftelijke toestemming van de ambassadeur van de republiek Montenegro en in het bijzijn van diens tweede secretaris is op 25 juli 2016 de ruimte alsnog doorzocht, waarbij negen dozen niet-consulaire documenten en een image van de computer in beslag zijn genomen. Tegen deze inbeslagname richt zich het klaagschrift. (...) Voor wat betreft de onschendbaarheid van de consulaire archieven is van belang het in Hoofdstuk III van het Verdrag geplaatste - artikel 61 van het Verdrag. Uit dit artikel volgt dat de consulaire archieven en documenten van een consulaire post die wordt geleid door een honoraire consulaire ambtenaar onschendbaar zijn, mits zij gescheiden worden gehouden van andere papieren en documenten en in het bijzonder van de particuliere correspondentie van het hoofd van een consulaire post en van iedere persoon die met hem samenwerkt, alsmede van de goederen, boeken of documenten die betrekking hebben op hun beroep of bedrijf. Uit het schriftelijk standpunt van de officier van justitie blijkt dat in de door klager aangewezen consulaire ruimte één (brand)kast was gekenmerkt met een sticker met het wapen van Montenegro. Uit het relaas van de officier van justitie blijkt voorts dat in de gehele ruimte stapels en ordners met documenten zijn aangetroffen die betrekking hadden op de niet-consulaire activiteiten van klager, waartussen zich ook losse consulaire documenten bevonden. Hieruit kon en kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de hele ruimte fungeerde als archief, en dat in de betreffende ruimte geen sprake was van een scheiding tussen consulaire documenten en andere papieren en documenten welke zich in de betreffende ruimte bevonden, ook niet in de zich in die ruimte bevindende (brand)kast. Naar het oordeel van de rechtbank kan derhalve door klager geen beroep worden gedaan op de onschendbaarheid van de consulaire archieven, nu niet werd voldaan aan de voorwaarde, ge