Rechtspraak 2017-10-17
ECLI:NL:HR:2017:2634
17 oktober 2017 Strafkamer nr. S 16/02769 IV/CB Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 4 mei 2016, nummer 21/003517-14, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961. 1 Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.G.C. Groenendaal, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. 2 Beoordeling van het eerste en het tweede middel De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 3 Beoordeling van het derde middel 3.1. Het middel klaagt dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip 'beletten' als bedoeld in art. 184 Sr, althans dat de bewezenverklaring in zoverre ontoereikend is gemotiveerd. 3.2.1. Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: "hij op 21 februari 2013 in de gemeente Barneveld toen de buitengewoon opsporingsambtenaren [verbalisant 1] (aktenummer [001]) en [verbalisant 2] (aktenummer [002]), belast met het toezicht houden op de naleving van de in de Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld en in de Drank en Horecawet genoemde bepalingen aan hem, verdachte, te kennen hadden gegeven dat zij, die opsporingsambtenaren, ter controle van de bepalingen gesteld in de Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld en de Drank en Horecawet de openbare inrichting, te weten het clubhuis van een motorclub, gevestigd op of aan de [a-straat 1], wilden betreden, deze door die opsporingsambtenaren ter uitvoering van het bepaalde in (de) artikel(en) 38 van de Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld en/of artikel 5:15 Algemene wet Bestuursrecht en/of artikel 3 en/of 42 van de Drank en Horecawet ondernomen handeling(en) opzettelijk heeft belet, door opzettelijk aan die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] mede te delen: "Jullie komen er niet in, dit is enkel voor leden, zelfs onze familieleden komen hier nu niet in. Er is boven een landelijke vergadering gaande en daar mag niemand bij zijn en verder zitten er leden uit het hele land" en: "Ik begrijp dat jullie op jullie strepen willen gaan staan, maar dan komen we in een situatie waarin jullie niet in willen komen. Als jullie nu naar binnen gaan wordt het er niet gezelliger op, je komt er gewoon niet in. Er is een besloten vergadering gaande waar we niemand bij willen hebben" en aldus door opzettelijk die [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de toegang tot die openbare inrichting te weigeren." 3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: "1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op p. 3 e.v. van het proces-verbaal, genummerd PL074J 2013056380) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten: Op donderdag 21 februari 2013 gingen wij, [verbalisant 1], buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Barneveld, werkzaam in domein Openbare Ruimte, standplaats Barneveld, aktenummer [001], en [verbalisant 2], buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Nijkerk, werkzaam in domein Openbare Ruimte, standplaats Nijkerk, aktenummer [002], ter controle van de bepalingen gesteld bij of krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld en de Drank- en horecawet, naar het perceel [a-straat 1] te Barneveld alwaar een clubhuis van een motorclub is gevestigd. Ik, verbalisant [verbalisant 1], ben als toezichthouder aangewezen door burgemeest Artikel 5:15 Algemene Wet Bestuursrecht geeft ons de bevoegdheid met medeneming van de benodigde apparatuur elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner voor het toezicht op de naleving van de APV en de Drank- en horecawet. Daarnaast geeft artikel 42 van de Drank- en horecawet ons de verdergaande bevoegdheid om binnen te treden in een woning, zelfs tegen de wil van de bewoner. 3. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 3 juni 2014 van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - de verklaring van verdachte: Op 21 februari 2013 was ik in de gemeente Barneveld. Daar heb ik twee opsporingsambtenaren de toegang tot het clubhuis van de motorvereniging geweigerd. Van tevoren zijn er soortgelijke dingen gezegd als die in de tenlastelegging staan. Ik heb gezegd: "Ik begrijp dat jullie op jullie strepen willen gaan staan, maar dan komen we in een situatie waarin we niet willen komen." Ik heb gezegd dat ze niet welkom waren." 3.2.3. Het Hof heeft voorts het volgende overwogen, voor zover van belang: "Het hof is van oordeel dat de verbale uitingen van verdachte jegens de betreffende opsporingsambtenaren aan duidelijkheid niets te wensen over laten. Verdachte heeft op krachtige en dreigende toon bedreigende taal geuit. Klip en klaar is dat hij niet wilde dat de opsporingsambtenaren het clubhuis van de motorclub zouden betreden. Uiteindelijk ging verdachte (met een aantal andere personen) het clubhuis weer binnen waarbij de deur van het clubhuis voor de ogen van de opsporingsambtenaren werd gesloten. Dit optreden van verdachte maakte het hen op dat moment onmogelijk om het clubhuis van de motorclub te betreden. Het hof is daarom - anders dan de raadsman - van oordeel dat verdachte de opsporingsambtenaren heeft belet (zoals bedoeld in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht) om het clubhuis binnen te gaan. Voorts deelt het hof de opvatting van de raadsman niet dat de situatie in de onderhavige zaak zich niet laat vergelijken met de situatie zoals aan de orde in het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 19 maart 2010 (LJN: BN4072), nu in beide zaken op een dreigende manier bedreigende taal werd geuit door de verdachte in de richting van de opsporingsambtenaren ter voorkoming van handelen door de opsporingsambtenaren. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is het hof van oordeel dat verdachte de opsporingsambtenaren opzettelijk heeft belet om het clubhuis te betreden. Daartoe overweegt het hof dat verdachte de opsporingsambtenaren in niet mis te verstane bewoordingen te kennen heeft gegeven dat zij niet binnen mochten komen. De door verdachte gebezigde verbale uitlatingen zijn niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Het hof leidt het opzet van verdachte af uit voornoemde uitlatingen. Het hof verklaart aldus bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde." 3.3. Art. 184, eerste lid, Sr luidt: "Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie." 3.4.1. Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof het volgende vastgesteld. Nadat de beide toezichthouders zich ter controle van de bepalingen gesteld bij of krachtens de APV Barneveld en de Drank- en Horecawet hadden begeven naar het perceel Oostvenerweg 2 te Barneveld, alwaar het clubhuis van de motorclub was gevestigd, zij aldaar hadden aangebeld aan het toegangshek en zij, toen de poort door een van de twee naar buiten gekomen mannen was geopend, waren binnengelaten o