Rechtspraak
Hoge Raad
2017-06-27
ECLI:NL:HR:2017:1168
Strafrecht
Herziening
1,119 tokens
Inleiding
27 juni 2017
Strafkamer
nr. S 16/05665 H
DFL
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank Rotterdam van 3 juni 2014, nummer 96/172700-12, ingediend door R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, namens:
[aanvrager]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.
1De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Kantonrechter heeft de aanvrager ter zake van "overtreding van het bepaalde in artikel 426 lid 1 Wetboek van Strafrecht" veroordeeld tot een geldboete van € 240,-, subsidiair 4 dagen hechtenis.
2De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De aanvraag houdt in dat de aanvrager
- bij het vonnis waarvan thans herziening wordt gevraagd, tot straf is veroordeeld wegens overtreding van art. 426, eerste lid, Sr (in staat van openbare dronkenschap het verkeer belemmeren, de orde verstoren dan wel de veiligheid van anderen bedreigen),
- bij vonnis van dezelfde datum van dezelfde Kantonrechter eveneens tot straf is veroordeeld wegens overtreding van art. 453 Sr (openbare dronkenschap), welk feit vijf minuten eerder is gepleegd dan de overtreding van art. 426 Sr,
- bij arrest van het Gerechtshof Den Haag van 3 maart 2015 in hoger beroep is vrijgesproken van overtreding van art. 453 Sr,
- bij arrest van 22 april 2015 van hetzelfde Hof op de voet van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk is verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis betreffende art. 426, eerste lid, Sr waarvan thans herziening wordt gevraagd.
De aanvraag tot herziening strekt tot vernietiging van laatstgenoemde uitspraak van de Kantonrechter nu, gelet op de vrijspraak van het Hof van 3 maart 2015 ten aanzien van de overtreding van art. 453 Sr, sprake is van de in art. 457, eerste lid onder a, Sv bedoelde herzieningsgrond en/of van de in art. 457, eerste lid onder c, Sv bedoelde herzieningsgrond.
Beoordeling
3.1.
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder a van art. 457 Sv slechts dienen de omstandigheid dat bij onderscheidene arresten of vonnissen bewezenverklaringen zijn uitgesproken die niet zijn overeen te brengen, en krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.2.
Voor zover de aanvraag ertoe strekt een beroep te doen op de in art. 457, eerste lid aanhef en onder a, Sv omschreven herzieningsgrond, kan zij niet slagen omdat zich hier niet voordoet het geval dat bij onderscheidene uitspraken bewezenverklaringen zijn uitgesproken die niet zijn overeen te brengen. In een van beide zaken is de aanvrager immers vrijgesproken.
3.3.
De aanvraag kan evenmin slagen voor zover een beroep wordt gedaan op de in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv omschreven herzieningsgrond. Als een gegeven in de zin van die bepaling kan niet dienen een vrijspraak van de verdachte in - zoals in dit geval - een andere strafzaak. De gronden waarop de vrijspraak steunt kunnen onder omstandigheden nochtans wel zo een gegeven opleveren. (Vgl. HR 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:673, NJ 2014/373.) Te dezen is van dergelijke omstandigheden evenwel niet gebleken.
3.4.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aanvraag kennelijk ongegrond is zodat als volgt moet worden beslist.
Dictum
De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juni 2017.