Rechtspraak
Hoge Raad
2016-03-29
ECLI:NL:HR:2016:511
Strafrecht
Cassatie
3,335 tokens
Inleiding
29 maart 2016
Strafkamer
nr. S 15/00600
AJ/LBS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 16 december 2014, nummer 21/003361-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.T.H.M. Mühren, advocaat te Purmerend, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Bewezenverklaring, bewijsvoering en juridisch kader
2.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 28 mei 2011 te Enschede, tezamen en in vereniging met anderen zich in het openbaar, namelijk tijdens een demonstratie van de Nederlandse Volksunie, mondeling, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Turken en/of buitenlanders en/of vreemdelingen, wegens hun ras, doordat verdachte en zijn mededaders opzettelijk beledigend hebben geroepen/gescandeerd:
- 'Ali B en Mustapha ga toch terug naar Ankara'
en hij op 28 mei 2011 te Enschede, tezamen en in vereniging met anderen in het openbaar, namelijk tijdens een demonstratie van de Nederlandse Volksunie op het stationsplein en/of (nabij) de Prinsessentunnel en/of (nabij) de Hengelosestraat en/of (nabij) de Deurningerstraat, mondeling opzettelijk heeft aangezet tot discriminatie van mensen wegens hun ras, te weten Turken en/of buitenlanders en/of vreemdelingen, doordat verdachte en zijn mededaders opzettelijk hebben geroepen/gescandeerd:
- 'Ali B en Mustapha ga toch terug naar Ankara'."
2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1. Een proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 1] , opgemaakt door [verbalisant 1] , buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten op 6 juli 2011, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 5 e.v.):
Ik doe aangifte namens de benadeelde Artikel 1 Overijssel te Enschede. Ik ben namens de benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik doe aangifte van discriminatie tegen de Nederlandse Volksunie. Ik ben directeur van stichting Artikel 1 Overijssel, dit is een antidiscriminatiebureau te Enschede.
Op 28 mei 2011 was er in Enschede een demonstratie van de Nederlandse Volksunie. Deze demonstratie begon bij het station van Enschede en ging daarna naar de Prinsessentunnel en de Hengelosestraat en daarna naar de Deumingerstraat en weer terug naar het station. Mijn collega [betrokkene 2] was hier ook aanwezig. Tijdens deze demonstratie heeft mijn collega [betrokkene 2] gezien dat er symbolen zijn meegevoerd en uitlatingen zijn gedaan die uiting geven aan vreemdelingenhaat. Mijn collega [betrokkene 2] heeft gehoord dat er door de deelnemers is geroepen: "Ali B en Mustafa, ga toch terug naar Ankara".
2. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 2] voornoemd, gesloten op 8 november 2011, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz.3):
Op 6 juli 2011 werd door [betrokkene 1] aangifte gedaan ter zake discriminatie artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht. Bij het afleggen van zijn verklaring gaf [betrokkene 1] een CD aan de verbalisant met daarop foto- en filmbeelden van de demonstratie georganiseerd door de Nederlandse Volksunie op zaterdag 28 mei 2011.
3. Een proces-verbaal van een verhoor als getuige van [betrokkene 2] , opgemaakt door [verbalisant 2] voornoemd, gesloten op 9 februari 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 11 e.v.):
Ik heb van de demonstratie van 28 mei 2011 camerabeelden gemaakt en die heeft [betrokkene 1] vorig jaar al aan de politie overhandigd. Ik zie dat u foto's heeft geprint. Ik ken de volgende personen:
De man met vlag in het midden van foto 6 is [medeverdachte 3] uit Purmerend. Hij draagt een white power vlag. Op foto 8 staat [medeverdachte 3] nogmaals maar naast hem staat [verdachte] met een Thor hamer-vlag.
[verdachte] staat ook op foto 14. Hij is de man met de tekst 'Houzee' op zijn hoofd.
Op de camerabeelden die ik nu met u bekijk hoor ik de volgende leuzen. Op de beelden 'Ali B' is duidelijk te horen dat diverse demonstranten roepen 'Ali B en Mustafa ga toch terug naar Ankara'.
4. Als schriftelijke bescheiden, de aan [betrokkene 2] voornoemd getoonde fotoprints genummerd 1 tot en met 14 (blz. 13 e.v.);
5. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 2] voornoemd, gesloten op 10 juli 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 22 e.v.):
Ik heb de camerabeelden van de demonstratie op 28 mei 2011 te Enschede van de NVU bekeken. De tijden hieronder genoemd zijn de minuten en seconden vanaf de start van de opname. Op deze beelden heb ik het volgende gezien en gehoord:
15.48
De Nederlandse demonstranten komen aanlopen vanaf perron 1. Voorop loopt de mij bekende [medeverdachte 3] en eveneens komt in beeld de mij bekende [verdachte] . De groep bestaat uit ongeveer 35 personen. Op de beelden herken ik de mij bekende [medeverdachte 2] . Hij draagt een megafoon.
24.50
[medeverdachte 2] spreekt de demonstranten toe door de megafoon. Vervolgens komt de groep in beweging. [medeverdachte 2] loopt voorop en roept door de megafoon.
26.20
De demonstranten staan stil aan de rechterkant van het station. Een deel van de demonstranten roept meerdere malen: 'Ali B en Mustafa ga toch terug naar Ankara'. [medeverdachte 3] en [verdachte] roepen dit gezamenlijk. De overige personen die dit roepen ken ik niet. Vervolgens neemt [medeverdachte 2] het woord. Hij spreekt door een microfoon. Hij zegt: 'Vandaag demonstreren we tegen de multiculturele terreur en voor een totale immigratiestop'."
2.3.
Met betrekking tot de bewezenverklaring heeft het Hof het volgende overwogen:
"De vraag of sprake is van belediging van een groep mensen als omschreven in artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht dient te worden beantwoord aan de hand van drie in de jurisprudentie ontwikkelde toetsingscriteria.
De Hoge Raad heeft overwogen dat een uitlating beledigend is wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een kwaad daglicht te stellen (HR 30 oktober 2001, LJN AB3143). De uitlating moet daarnaast over een groep mensen of haar kenmerk gaan. De tweede toets betreft de vraag of een uitlating in een bepaalde context is gedaan en zo ja in welke. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de context waarin een uitlating is gedaan het beledigend karakter van de uitlating weg kan nemen, indien de uitlating een bijdrage levert aan of dienstig is aan een publiek maatschappelijk debat, een geloofsopvatting of als de uitlating onder de bescherming van artistieke expressie valt. De reikwijdte van die context wordt gevormd door verdachtes recht op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De derde toets betreft de beoordeling of de beledigende uitlating, die een bijdrage levert aan of dienstig is aan een publiek maatschappelijk debat of een geloofsopvatting of indien deze uitlating onder bescherming van de artistieke expressie valt, niettemin toch onnodig grievend is.
Ten aanzien van de eerste toets heeft de rechtbank in de zaak van verdachte en de medeverdachte Brand onder meer overwogen:Door verdachte is de volgende uitlating gedaan "Ali B en Mustapha, ga toch terug naar Ankara". De rechtbank oordeelt dat deze uitlating zich richt tot personen die niet blank zijn. Ali B en Mustapha worden hier als representanten van deze groep gebruikt.
Beoordeling
3.1.
De middelen keren zich in het bijzonder tegen het oordeel van het Hof dat de bewoordingen "Ali B. en Mustapha, ga toch terug naar Ankara" als beledigend voor een groep mensen wegens hun ras kan worden aangemerkt.
3.2.
De in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende termen "beledigend" en "ras" zijn klaarblijkelijk gebezigd in de betekenis die daaraan toekomt in art. 137c Sr.
3.3.1.
Bij de beoordeling van de middelen moet met betrekking tot de term "beledigend" het volgende worden vooropgesteld.
3.3.2.
De memorie van antwoord bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 18 februari 1971, Stb. 1971, 96 waarbij art. 137c Sr is ingevoerd, houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:
"Strafbaar is enkel het aantasten van de eigenwaarde of het in diskrediet brengen van de groep, omdat die van een bepaald ras is, een bepaalde godsdienst belijdt of een bepaalde levensovertuiging is toegedaan. Kritiek op opvattingen en gedragingen - in welke vorm ook - valt buiten het bereik van de ontworpen strafbepaling."
(Kamerstukken II 1969-1970, 9724, nr. 6, p. 4)
3.3.3.
Een uitlating kan als beledigend worden beschouwd wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen en hem aan te randen in zijn eer en goede naam. Het oordeel dat daarvan sprake is, zal bij een uitlating die in het algemeen op zichzelf niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan (vgl. HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9796, NJ 2010/670).
3.4.
Voorts moet met betrekking tot de term "ras" het volgende worden vooropgesteld. De in art. 137c en 137d Sr voorkomende term "ras" moet - mede blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepalingen - worden uitgelegd overeenkomstig de strekking van de in art. 1, eerste lid, IVUR gegeven opsomming, waarin naast "ras" ook wordt genoemd: huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming
(vgl. Kamerstukken II 1967-1968, 9724, nr. 3, p. 4).
3.5.
Het Hof heeft blijkens zijn hiervoor onder 2.2 weergegeven overweging vastgesteld dat met de bewezenverklaarde uitlating duidelijk wordt gemaakt dat personen van niet-Nederlandse afkomst, meer specifiek personen van Turkse en/of Marokkaanse afkomst - van wie Ali B. en Mustapha worden gezien als representanten -, niet welkom zijn in Nederland. Deze uitlating heeft naar het oordeel van het Hof, mede bezien in de context waarin deze uitlating is gedaan, de strekking om de personen behorende tot deze groep in hun eigenwaarde aan te tasten en hun ras - verstaan in evenvermelde (ruime) zin - in diskrediet te brengen. Op grond daarvan heeft het Hof geoordeeld dat de uitlating een voor deze groep mensen wegens hun ras beledigend karakter heeft. Dit oordeel, dat is verweven met de aan het Hof als feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval, geeft, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.3 en 3.4 is vooropgesteld, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
3.6.
De middelen falen.
Beoordeling
4.1.
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van de op art. 137d Sr toegesneden tenlastelegging onvoldoende met redenen is omkleed, nu uit de bewijsvoering van het Hof niet zonder meer kan volgen dat de bewezenverklaarde uitlating aanzet tot discriminatie.
4.2.
Het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip "aangezet tot discriminatie" is klaarblijkelijk gebezigd in de betekenis die daaraan toekomt in art. 137d Sr.
4.3.
Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte en zijn mededaders tijdens een demonstratie van de Nederlandse Volksunie gericht "tegen de multiculturele terreur en voor een totale immigratiestop" meerdere malen hebben geroepen en/of gescandeerd "Ali B. en Mustapha, ga toch terug naar Ankara". Het Hof heeft geoordeeld dat deze uitlating van de verdachte, waarbij het kennelijk - en terecht - ook de context van het geval mede van betekenis heeft geacht, het aanzetten tot discriminatie oplevert. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen de hiervoor onder 2.3 weergegeven overweging van het Hof dat met de uitlating tot uitdrukking is gebracht dat personen van niet-Nederlandse afkomst niet welkom zijn in Nederland. De bewezenverklaring is dan ook naar de eis der wet met redenen omkleed
4.4.
Het middel faalt.
Dictum
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, V. van den Brink, E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 maart 2016.