Rechtspraak
Hoge Raad
2014-11-25
ECLI:NL:HR:2014:3450
Strafrecht
Cassatie
495 tokens
Inleiding
25 november 2014
Strafkamer
nr. 14/01286 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 22 januari 2014, nummer RK 13/922, betreffende het verlenen van verlof als bedoeld in art. 552p, tweede lid, Sv in de zaak van:
[betrokkene]
.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door [betrokkene]. Namens deze heeft mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [betrokkene] in zijn cassatieberoep.
De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.
Beoordeling
2.1.
Het beroep is gericht tegen een naar aanleiding van een verzoek om rechtshulp van de Poolse justitiële autoriteiten gegeven beschikking tot het verlenen van verlof als bedoeld in art. 552p, tweede lid, Sv.
2.2.
Volgens art. 445 Sv staat tegen beschikkingen beroep in cassatie alleen open in de gevallen in dat wetboek bepaald. Nu in dat wetboek geen bepaling voorkomt volgens welke tegen een beschikking als de onderhavige beroep in cassatie openstaat voor anderen dan het openbaar ministerie en de klager, kan [betrokkene], die in de onderhavige zaak niet als zodanig kan worden aangemerkt, in het ingestelde beroep niet worden ontvangen. (Vgl. HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1670, NJ 2007/26)
Dictum
De Hoge Raad verklaart [betrokkene] niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2014.