Rechtspraak Hoge Raad 2013-11-22
ECLI:NL:HR:2013:1391
Civiel recht
22 november 2013 Eerste Kamer nr. 12/04108 LZ/GB Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid CNV VAKMENSEN,gevestigd te Utrecht, 2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid DE NEDERLANDSE BOND VOOR DE BOUW- EN HOUTNIJVERHEID,gevestigd te Woerden, EISERESSEN tot cassatie, advocaat: mr. E.H. van Staden ten Brink, t e g e n vereniging met volledige rechtsbevoegdheid VERENIGING DAKBEDEKKINGSBRANCHE NEDERLAND VEBIDAK,gevestigd te Nieuwegein, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. R.A.A. Duk. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vakbonden en Vebidak. Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. de vonnissen in de zaak 246300/HA ZA 08-639 van de rechtbank te Utrecht van 9 juli 2008 en 587488 UC EXPL 08-11198 LH van de kantonrechter te Utrecht van 18 maart 2009; b. het arrest in de zaak 200.038.639 van het gerechtshof te Amsterdam van 27 maart 2012. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht. Tegen het arrest van het hof hebben de vakbonden beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Vebidak heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaat van de vakbonden heeft bij brief van 28 juni 2013 op die conclusie gereageerd. 3.1 Deze zaak behelst, voor zover in cassatie van belang, een geschil tussen de vakbonden en Vebidak met betrekking tot de uitleg van de art. 17 (en 18) van de CAO voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven, welke geen schriftelijke toelichting kent en welke gold van 1 januari 2008 tot 1 april 2010. De genoemde bepalingen, die in elk geval van 26 november 2008 tot 1 april 2010 algemeen verbindend verklaard zijn geweest (Besluit van 20 november 2008, Stcrt. 24 november 2008, nr. 228, UAW 10855), luiden als volgt: “Artikel 17 Reisurenvergoeding 1. Indien een werknemer door een werkgever te werk wordt gesteld op een werkobject dat buiten zijn woonplaats is gelegen, is de werknemer verplicht voor de reis van de woonplaats naar object vice versa gebruik te maken van een door de werkgever aan te wijzen vervoermiddel, mits dit aan de door de wet gestelde eisen voldoet, hetgeen, indien dit vervoermiddel een auto is, moet blijken uit een erkend veiligheidsvignet of een ander bewijs van onderhoud, niet ouder dan zes maanden. 2. De duur van de reis, welke wordt gemaakt met een: a. door de werkgever ter beschikking gesteld vervoermiddel; b. eigen vervoermiddel; zal door de werkgever aan de werknemer worden vergoed tegen het geldende garantie-uurloon, behoudens de eerste 60 minuten per dag. In afwijking van het in het voorgaande bepaalde zal de gehele duur van de reis aan de werknemer, die optreedt als bestuurder van een vervoermiddel als genoemd sub b of c, worden vergoed. 3. Onder ‘duur van de reis’ bedoeld in lid 2 wordt verstaan het tijdsverloop tussen het vertrek van het vervoermiddel naar het werk en de aankomst op het werk, alsmede het tijdsverloop terug van het werk naar de plaats van vertrek. De duur van de reis wordt door de werkgever en werknemer in onderling reëel overleg vastgesteld, zulks met inachtneming van de af te leggen route. (…) Artikel 18 Vergoedingen 1. Indien een werknemer, naar het oordeel van de werkgever, bij het zich naar en van het werk begeven, gebruik moet maken van een eigen vervoermiddel en/of daarvan tijdens en ten behoeve van de werkzaamheden gebruik maakt, zal hem een vervoermiddelenvergoeding worden betaald. (…)” 3.2.1 De rechtbank heeft de vorderingen van de vakbonden afgewezen. In hoger beroep hebben de vakbonden, na eiswijziging en voor zover in cassatie van belang, het volgende gevorderd. - stipte en correcte naleving van de CAO voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven in het bijzonder door in de advisering aan haar leden ten aanzien van art. 17 CAO en de beloning van de werknemers de uren die gereisd worden van de woonplaats van de werknemer via het bedrijf van de werkgever dan wel een andere dan een rechtstreekse route naar het werkobject aan te merken en te belonen als reisuren conform art. 17 CAO, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per vakbond voor elke dag of deel daarvan dat Vebidak in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen. 3.2.2 Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe overwoog het hof onder meer als volgt. “5.7 (…) Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de situatie die zich, onweersproken, al sinds jaar en dag voordoet dat de werknemers zich op aanwijzing van de werkgever op het bedrijf verzamelen en van daaruit met de bedrijfsbus naar het werkobject vertrekken. Voor die situatie bepleiten de vakbonden een uitleg die erop neer komt dat de duur van de reis wordt bepaald door het tijdsverloop vanaf het moment waarop de werknemer vanuit zijn woonplaats vertrekt en via het bedrijf van de werkgever met de daar gereedstaande bedrijfsbus naar het werkobject reist, vice versa. 5.8 Die uitleg komt erop neer dat de duur van de reis die (behoudens de eerste zestig minuten) door de werkgever aan de werknemer moet worden vergoed, in alle gevallen gelijk is te stellen aan het tijdsverloop tussen het vertrek van de werknemer vanaf zijn woonplaats tot de aankomst op de plaats waar de dakdekwerkzaamheden worden verricht, vice versa. 5.9 Naar het oordeel van het hof strookt deze door de vakbonden bepleite uitleg niet met de in artikel 17 lid 3 van de CAO gegeven definitie van de “duur van de reis”, nu ingevolge die definitie het begin van het tijdsverloop van de reis bepaald wordt door het vertrek van het vervoermiddel. In geval van een door de werkgever voor het vervoer aangewezen en ter beschikking gestelde bedrijfsbus die vertrekt vanaf het bedrijfsterrein van de werkgever, is het begin van het tijdsverloop niet het moment waarop de werknemer van huis vertrekt, zoals de vakbonden betogen, maar het moment waarop de bus van het bedrijf van de werkgever vertrekt. 5.10 Los van de in de CAO gegeven definitie van “duur van de reis”, zijn er ook naar objectieve maatstaven geen aanwijzingen te vinden die het standpunt van de vakbonden ondersteunen. In de CAO worden geen formuleringen gebruikt die steun bieden aan de door de vakbonden bepleite uitleg. Dat geldt ook voor artikel 18 van de CAO waarnaar de vakbonden verwijzen, aangezien de vervoermiddelenvergoeding die in dat artikel wordt geregeld ziet op de situatie waarin de werknemer gebruik maakt van een eigen vervoermiddel, welke situatie valt binnen het raam van de regeling van artikel 17 CAO maar geen afbreuk doet aan de situatie waarin met de bedrijfsbus vanaf het bedrijf van de werkgever wordt gereisd. 5.11 De door de vakbonden bepleite uitleg heeft als rechtsgevolg dat artikel 17 van de CAO regelt dat aan de werknemer de met woon-werk verkeer gemoeide tijd (behoudens 60 minuten) als werktijd wordt vergoed, waarvoor de tekst van de CAO geen aanknopingspunten biedt, terwijl, indien dit het door partijen beoogde gevolg was, onbegrijpelijk is dat dit niet in daartoe geëigende bewoordingen in de tekst van artikel 17 van de CAO is opgenomen. Bovendien zou de door de vakbonden bepleite uitleg van de CAO als onaannemelijk rechtsgevolg hebben dat de extra reistijd van een werknemer die er voor kiest niet in de nabijheid van de het bedrijf van de werkgever te (gaan) wonen, voor rekening van de werkgever komt. 5.12 Dat zoals in de laatste zin van het derde lid van artikel 17 van de CAO is bepaald “de duur van de reis door de werkgever en werknemer in onderling reëel overleg wordt vastgesteld, zulks met inachtneming van de af te leggen route”, maakt hetgeen hierboven is overwogen, niet anders, nu niet blijkt dat deze bepaling ziet op de door de vakbonden aangehaalde situatie dat de werknemer vanaf zijn woonplaats naar het bedrijf van de werkgever reist en van daar verder met de bedrijfsbus naar het werkobject.” 3.3 Het middel voert aan dat art. 17 van de CAO ervan uitgaat dat de reis van de werknemer naar het werkobject (en vice versa), steeds aanvangt (en eindigt) bij zijn woonplaats en dat het andersluidende oordeel van het hof in rov. 5.9 (waar het gaat om de reis per bedrijfsbus vanaf het bedrijfsterrein van de werkgever) onjuist is. De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt de vakbonden in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Vebidak begroot op € 799,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 22 november 2013.