Rechtspraak Hoge Raad 2011-07-12
ECLI:NL:HR:2011:BP6567
Strafrecht
12 juli 2011 Strafkamer nr. 09/04748 A Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 6 augustus 2009, nummer H 63/09, in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, wonende op [woonplaats]. 1. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. 2.1. Het middel klaagt blijkens de toelichting onder meer over het gebruik door het Hof voor het bewijs van bij de politie afgelegde verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], terwijl zij - gehoord als getuige - die verklaringen ter terechtzitting van het Gerecht in Eerste Aanleg hebben ingetrokken. 2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: "hij, op 18 september 2008 op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit een woning, gelegen aan de [a-straat 1], alwaar verdachte en zijn, verdachte's, mededaders zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende, te weten [slachtoffer], bevond(en) hebben weggenomen: onder meer, sieraden, waaronder een halsketting en een armband en een paar oorbellen en een hanger en ringen en een polshorloge en een mobiele telefoon, geheel toebehorende aan (diezelfde) [slachtoffer], waarbij hij, verdachte, en zijn, verdachte's, mededaders, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van inklimming." 2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]: "Op 18 september 2008 omstreeks 15.30 uur hebben mijn vrouw en ik onze woning aan de [a-straat 1] te [plaats] verlaten om inkopen te doen. Toen we om 18.45 uur thuis kwamen zagen we dat er was ingebroken. We hebben daarna gemerkt dat meerdere van onze eigendommen gestolen waren. Het betreft onder meer de volgende goederen: verschillende gouden sieraden, horloge van het merk Omega en een mobiele telefoon van het merk Samsung." b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2]: "Op een dag heeft [verdachte] mij gebeld en verzocht om bij hem thuis te [plaats] langs te komen. Ik ben samen met [betrokkene 1] met de bus naar het huis van [verdachte] te [plaats] gegaan. Daar aangekomen vertelde [verdachte] ons dat hij een plan had om in de woning van zijn Nederlandse buren te gaan inbreken. Wij gingen akkoord om de inbraak te plegen en besloten in de woning van [verdachte] te wachten tot de buren van huis gingen. Toen de buren waren vertrokken liepen we naar de woning, sprongen over de muur en gingen naar binnen door de schuifdeur. Ik heb de woning op verschillende plaatsten doorzocht en trof in het dressoir een etui met sieraden aan. In het etui zat een gouden set met hals ketting, een armband, een polshorloge merk Omega en twee ringen. Ik heb de sieraden de volgende dag verpand voor Naf. 2100,- bij het pandhuis [A] te [plaats]." c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]: "Ik ben in de maand september 2008 samen met [betrokkene 2] naar het huis van [verdachte] op [plaats] geweest. Ik heb toen samen met [verdachte], [betrokkene 2] en een andere man in een woning dicht bij de woning van [verdachte] ingebroken. Ik zag dat [verdachte], [betrokkene 2] en de andere man eerst naar binnen gingen, daarna sprong ik over de muur en ging ik via de openstaande deur de woning binnen. Vervolgens hebben we in de woning gezocht naar waardevolle spullen. Kort daarna hebben we de woning weer verlaten. De dag na de inbraak toonde [betrokkene 2] mij enkele sieraden die hij uit de woning had weggenomen. Ik zag een goudkleurig horloge, twee goudkleurige oorbellen en een goudkleurige ketting." d. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant: "Op dinsdag 21 oktober 2008 werd in het kader van het onderzoek terzake diefstal contra de verdachten [verdachte], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een onderzoek ter inbeslagname bij de zaak "[A] N.V." te [plaats] ingesteld. Na onderzoek van bovenstaande namen en het kwitantienummer met betrekking tot dit onderzoek in de administratie, kwam de door verbalisanten inbeslaggenomen kwitantie onder nummer [001] ten name van [betrokkene 2] overeen met die vermeld in de administratie van het pandhuis. De volgende goederen vermeld in de administratie werden inbeslaggenomen: een gouden halsketting, een gouden armband, een gouden dames polshorloge van het merk Omega, twee gouden vingerringen, een blauwe hanger met gouden overwand en twee gouden oorbellen." 2.2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Gerecht in Eerste Aanleg van 6 februari 2009 houdt in: "Hierna gaat de rechter over tot het door de raadsman van de verdachte verzochte horen van de medeverdachten als getuigen. (...) De getuige, [betrokkene 1] (...) legt de belofte af. Op de door de raadsman gestelde vragen, verklaart de getuige -zakelijk weergegeven-, als volgt: Met betrekking tot de beschuldiging van inbraak op 18 september 2008 kan ik het volgende verklaren. Op de bewuste dag kwam [betrokkene 2] 's morgens vroeg naar me toe en vertelde dat hij een 'job' voor ons had. Ik ben toen met hem meegegaan. We hebben de bus genomen naar [plaats]. Ik weet niet meer hoe laat het toen was, maar daar aangekomen kwamen we [verdachte] en [betrokkene 3] tegen. Ik weet niet precies waar het was, maar toen we uit de bus stapten hebben we een eindje gelopen. De raadsman houdt de getuige voor dat hij, de getuige, ten overstaan van de politie heeft verklaard dat zij elkaar thuis bij [verdachte] hebben ontmoet, waarop de getuige verklaart dat de ontmoeting niet bij [verdachte] thuis maar daar in de buurt, bij een huis in aanbouw, heeft plaatsgevonden. De getuige vervolgt: We waren bij dat huis in aanbouw en [betrokkene 2] heeft het huis aangewezen waar we binnen zouden treden. Nadat de bewoners van het huis aan het eind van de middag weg waren gegaan, zijn zij naar binnen gegaan en na een poosje ben ik ook naar binnen gegaan. [Verdachte] had gezegd dat hij naar huis ging omdat hij wat dingen te doen had. Ik heb hem daarna niet meer gezien. Hij is niet in de woning geweest. Ik heb niet verklaard dat [verdachte] aan de inbraak heeft deelgenomen. Bij de politie was ik bang en heb ik iets anders verklaard. Ik was bang omdat ik net twee dagen uit de gevangenis vrijgelaten was en niet meer terug wilde. De rechter houdt de getuige voor dat hij ook ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard heeft dat [verdachte] aanwezig was bij de inbraak. De getuige verklaart in reactie hierop dat hij niet weet waarom dat in de verklaring staat, omdat hij niet heeft gezegd dat [verdachte] in de woning is geweest. Hij kan zich niet herinneren dat te hebben verklaard. De getuige vervolgt: Ik heb een fles whisky en een pak koekjes uit de woning weggenomen. De whisky heb ik opgedronken en de koekjes heb ik opgegeten. In de bus terug naar huis vertelde [betrokkene 2] mij dat hij gouden sieraden uit de woning had weggenomen. De volgende dag zijn we samen naar het pandhuis gegaan. [Betrokkene 2] is toen naar binnen gegaan om de spullen in pand te geven. Ik heb van hem Naf. 1.000,- van de opbrengst gekregen. (...) De getuige, [betrokkene 2] (...) legt de eed af. Op de door de raadsman gestelde vragen, verklaart de getuige -zakelijk weergegeven-, als volgt: Met betrekking tot de beschuldiging van de inbraak op 18 september 2008 kan ik het volgende verklaren. Op die desbetreffende dag ben ik in het huis geweest. Het was na twaalf uur, want rond 11 uur ben ik naar [plaats] gegaan. We hebben bij een huis in aanbouw gewacht. Ik heb niet ingebroken, want de deur stond open. Ik heb goederen van die mensen gezocht en meegenomen. Ik was met [betrokkene 1] en voor zover ik heb gezien was er verder niemand in dat huis. Ik ben bij [verdachte] thuis geweest en hij zei dat hij weg ging. Toen kwam een ander met het plan om het huis binnen te treden. Bij de politie heb ik iets anders verklaard, omdat [verdachte] dicht bij die mensen woont; daarom heb ik gezegd dat hij met het plan is gekomen. De Hoge Raad: vernietigt de bestreden uitspraak; wijst de zaak terug naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren C.H.W.M. Sterk en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 12 juli 2011. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.