ECLI:NL:HR:2010:BL9543
21 mei 2010
Eerste Kamer
09/02500
EE/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 140317/07-3676 van de rechtbank Haarlem van 11 maart 2008,
b. de beschikking in de zaak 200.007.264/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 24 maart 2009.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot afdoening van de zaak in voege als weergegeven onder 25 van de conclusie.
3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.
(i) Partijen zijn op 18 november 1971 met elkaar gehuwd. Het huwelijk is op 30 mei 1995 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 21 maart 1995 van de rechtbank Haarlem in de registers van de burgerlijke stand.
(ii) Bij de echtscheidingsbeschikking is - voorzover hier van belang en zakelijk weergegeven - de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw ten laste van de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking bepaald op fl. 1.250,- per maand. Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de uitkering met ingang van 1 januari 2007 € 754,87 per maand.
(iii) De verplichting tot het betalen van een uitkering is van rechtswege op 30 mei 2007 vervallen. De man heeft, na advies van zijn advocaat om nog drie maanden door te betalen met het oog op het verstrijken van de termijn voor indiening van een verlengingsverzoek, de uitkering doorbetaald tot en met augustus 2007.
3.2.1 Bij op 1 november 2007 bij de rechtbank Haarlem ingediend verzoekschrift heeft de vrouw op de voet van art. 1:157 lid 5 BW verlenging van de alimentatietermijn van twaalf jaar verzocht. Subsidiair heeft de vrouw verzocht te bepalen dat hetgeen de man na 1 juni 2007 als alimentatie heeft betaald door haar niet behoeft te worden terugbetaald.
De rechtbank heeft bij beschikking van 11 maart 2008 de vrouw ontvankelijk geoordeeld in haar (primaire) verzoek en de termijn van de alimentatieverplichting verlengd tot 29 augustus 2009 (de pensioengerechtigde leeftijd van de man), met bepaling dat een verlenging van deze termijn niet mogelijk is.
3.2.2 De man kwam hiertegen op met twee grieven. In de eerste grief bestreed hij het oordeel van de rechtbank (in rov. 5.3) dat de termijn van drie maanden voor het indienen van een verlengingsverzoek een verjaringstermijn is, en derhalve niet een ambtshalve toe te passen termijn. In de tweede grief bestreed de man het oordeel van de rechtbank (in rov. 5.5) dat de man in redelijkheid niet kan komen tot uitoefening van zijn bevoegdheid tot het doen van een beroep op de termijn voor het indienen van het verlengingsverzoek, dat in dit geval is ingediend ruim een maand nadat de door de vrouw verwachte betaling van alimentatie uitbleef.
3.2.3 Het hof achtte de eerste grief gegrond, en verklaarde de vrouw niet-ontvankelijk in haar op art. 1:157 lid 5 BW gebaseerde inleidend verzoek tot verlenging. Het hof overwoog daartoe onder meer (in rov. 4.2) het volgende:
"In het onderhavige geval heeft de vrouw haar op voornoemd artikel gebaseerde verzoek tot verlenging van de termijn van de alimentatieverplichting niet binnen de in dat artikel voorgeschreven termijn van drie maanden ingediend. Het standpunt van de vrouw dat de termijn van drie maanden pas begint te lopen op het moment dat de uitkering feitelijk wordt beëindigd, vindt geen steun in de wet.
Het hof is - anders dan de rechtbank - van oordeel dat de in art. 1:157, vijfde lid, van het BW genoemde termijn van drie maanden een wettelijke vervaltermijn is, die van dwingend recht is en door de rechter ambtshalve moet worden toegepast. Dat is in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever met betrekking tot de wettelijke limitering van alimentatie na echtscheiding die erop is gericht de duidelijkheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid te bevorderen waar het gaat om de duur en het voortbestaan van de onderhoudsplicht.
Aangezien het hier een wettelijke vervaltermijn betreft, kan slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden worden geoordeeld dat toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dergelijke omstandigheden zijn in het onderhavige geval door de vrouw niet gesteld. Dat de man de uitkering doelbewust nog enige maanden is blijven doorbetalen nadat de termijn van twaalf jaar was verstreken, is niet als een zodanige omstandigheid aan te merken."
3.3 De eerste klacht van het middel keert zich tegen de verwerping van het standpunt van de vrouw dat de termijn van drie maanden pas begint te lopen op het moment dat de uitkering feitelijk wordt beëindigd.
Voorzover de klacht ertoe strekt te betogen dat de termijn van drie maanden van art. 1:157 lid 5 BW niet beschouwd dient te worden als een vervaltermijn, faalt zij. Zoals het middel terecht tot uitgangspunt neemt, is de termijn van twaalf jaren na verloop waarvan de alimentatieplicht ingevolge art. 1:157 lid 4 BW van rechtswege eindigt een vervaltermijn (HR 8 mei 1998, LJN ZC2650, nr. 9056, NJ 1998, 889). Ook de termijn van drie maanden die in het vijfde lid wordt gesteld voor de uitoefening van de bevoegdheid om in rechte verlenging van de alimentatieplicht te verzoeken, moet worden beschouwd als een vervaltermijn. Deze bevoegdheid vervalt indien het verzoek niet is ingediend "voordat drie maanden sinds de beëindiging zijn verstreken". Met "beëindiging" wordt kennelijk verwezen naar de in de eerste zin van het vijfde lid bedoelde "beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn".
3.4.1 De eerste klacht werpt ook de vraag op of de termijn van drie maanden van art. 1:157 lid 5 BW altijd begint te lopen op het moment waarop de termijn van twaalf jaren van art. 1:157 lid 4 BW is verstreken, ook in gevallen als het onderhavige, waarin de alimentatieplichtige na het verstrijken van die termijn de maandelijkse alimentatiebedragen aan de alimentatiegerechtigde is blijven betalen. In dit verband bepleit de vrouw dat de termijn van drie maanden pas begint te lopen na de feitelijke beëindiging van de betaling van de alimentatie. Aldus wordt ook voorkomen dat de alimentatiegerechtigde op het verkeerde been wordt gezet doordat - op het in de praktijk gebruikelijk geworden advies van de advocaat - de betaling van alimentatie doelbewust nog drie maanden wordt voortgezet met het uitsluitende doel de termijn ongebruikt te laten verstrijken, zo betoogt de vrouw.
3.4.2 Bij de parlementaire behandeling van de Wet limitering alimentatie waarbij de onderhavige bepalingen zijn ingevoerd, is de hiervoor in 3.4.1 bedoelde vraag van uitleg van art. 1:157 lid 5 BW niet met zoveel woorden onder ogen gezien. Wel is gewezen op de mogelijkheid dat na ommekomst van de termijn van twaalf jaren de betalingen met een zekere periodiciteit blijven plaatsvinden, in welk geval zou moet worden aangenomen dat partijen een mondelinge overeenkomst hebben gesloten (zie Kamerstukken II 1986/87, 19 295, nr. 24, blz. 3). Het ging hier weliswaar om de fiscaalrechtelijke vraag of in geval van vrijwillig voortgaan met alimentatiebetaling na ommekomst van de termijn van twaalf jaren de betaalde bedragen nog voor de inkomstenbelasting aftrekbaar zouden zijn. Voor de beantwoording van die vraag is van belang onder welke civielrechtelijke titel de betalingen zijn gedaan. Er is geen reden bij beantwoording van de nu te beantwoorden vraag een ander uitgangspunt te kiezen: aangenomen moet worden dat aan de na ommekomst van de termijn van twaalf jaren verrichte alimentatiebetalingen een overeenkomst ten grondslag ligt. Een dergelijke overeenkomst tot het laten voortduren van de alimentatieplicht kan ook stilzwijgend worden gesloten. Nu blijkens art. 1:158 BW het vierde tot en met zesde lid van art. 1:157 van overeenkomstige toepassing zijn indien in de overeenkomst geen termijn is opgenomen, moet worden aangenomen dat bij voortzetting van de betalingen de vervaltermijn van drie maanden in het algemeen niet gaat lopen op het moment dat de termijn van twaalf jaren van art. 1:157 lid 4 BW verliep, maar pas op het moment waarop de overeengekomen verlenging van de wettelijke alimentatietermijn eindigt. Bij het ontbreken van aanwijzingen voor een ander tijdstip dient ervan te worden uitgegaan dat verlenging in ieder geval is overeengekomen tot het tijdstip van de laatste feitelijke betaling.
3.4.3 Bij het voorgaande wordt nog het volgende aangetekend.
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 24 maart 2009;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Haarlem van 11 maart 2008.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven, W.A.M. van Schendel en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 21 mei 2010.