Rechtspraak Hoge Raad 2006-10-17
ECLI:NL:HR:2006:AY7361
Strafrecht
17 oktober 2006 Strafkamer nr. 02403/05 E AGJ/JH Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 10 januari 2005, nummer 21/001263-04, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te Zwolle van 17 februari 2004 - de verdachte ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met een bijkomende straf, als bedoeld in artikel 7 onder c, van de Wet op de economische delicten" veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 120 uren, subsidiair zestig dagen hechtenis, met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. D.V.A. Brouwer en mr. C.L.A. de Sitter, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 3.1. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring - met name voor zover inhoudende dat in strijd met een bijkomende straf een onderneming zou zijn gedreven - niet kan volgen uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen. 3.2. Overeenkomstig de inleidende dagvaarding is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: "hij in de periode van 21 november 2001 tot en met 14 mei 2002, in de gemeente Ommen, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een hem door het Gerechtshof te Arnhem (economische kamer) op 5 november 2001 (in de strafzaak met het parket-nummer 21-001857-00) bij arrest opgelegde en op 20 november 2001 onherroepelijk geworden bijkomende straf als bedoeld in artikel 7, onder c van de Wet op de economische delicten, bij welk arrest genoemd Hof de tenuitvoerlegging gelast van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de economische politierechter in de arrondissementsrechtbank van Zwolle van 16 februari 1999 inhoudende de gehele stillegging van zijn onderneming op het perceel [a-straat 1] te [plaats A], voor de duur van 1 (een) jaar, hebbende hij, verdachte, toen en daar in strijd met vorenomschreven bijkomende straf vee gehouden op het perceel [a-straat 1] te [plaats A]." 3.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: a. de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van het Hof van 27 december 2004, voor zover inhoudende: "Ik ben bekend met de uitspraak van het gerechtshof te Arnhem van 5 november 2001. Ik heb tegen die uitspraak destijds geen beroep in cassatie ingesteld. Het is juist dat er in de periode van 21 november 2001 tot en met 14 mei 2002 vee is gehouden op het perceel aan de [a-straat 1] te [plaats A]. In die periode kwam ik wel eens op het perceel." b. een schriftelijk bescheid, te weten een afschrift van het arrest van het Hof van 5 november 2001, waarbij de tenuitvoerlegging is gelast van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te Zwolle van 16 februari 1999, te weten van: de gehele stillegging van de onderneming voor de duur van 1 (één) jaar, betreffende de onderneming op het perceel [a-straat 1] te [plaats A]. c. een schriftelijk bescheid, te weten een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 14 december 2004 betreffende de verdachte, voor zover inhoudende de vermelding (op pagina 8) van het onder b bedoelde arrest. Blijkens de vermelding op dit uittreksel is het arrest op 20 november 2001 onherroepelijk geworden. d. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren W.Th. Havinga, J.A. Mokkelenkate en W. Breemhaar, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten: "Pagina 9: Op dinsdag 14 mei 2002 bevonden wij verbalisanten ons bij het rundveehouderij bedrijf van [verdachte] aan de [a-straat 1] te [plaats A], gemeente Ommen. De grond en de opstallen van het bedrijf staan in het kadaster geregistreerd op naam van [betrokkene 1], [b-straat 1], ([0000 AA]) [woonplaats]. Wij verbalisanten waren ter plaatse in opdracht van de officier van Justitie te Zwolle in verband met de uitvoering van het arrest van de economische kamer van het gerechtshof te Arnhem d.d. 5 november 2001, parketnummer 21-001857-00. Pagina 10: Op het bedrijf troffen wij een volledig in werking zijnd rundveehouderijbedrijf aan. In de stal stond rundvee en in de weide bij en behorende tot het bedrijf liepen ook nog een vijftal schapen. Wij verbalisanten zagen dat de aanwezige runderen, gelet op de er bij zogende kalveren, werden gebruikt voor de productie van vleesvee. Deze runderen waren aanwezig in de op het onderhavige bedrijfsterrein aanwezige rundveestalling. Totaal werden na telling 29 runderen aangetroffen. De runderen werden gevoerd met onder meer maïs afkomstig uit de op het onderhavige bedrijfsterrein aanwezige ingekuilde maïshopen. Op het onderhavige bedrijfsterrein werden tevens, na telling, 32 stuks pluimvee aangetroffen. Gelet op de wijze waarop genoemde aantallen runderen, schapen en pluimvee werden gehouden kan niet anders worden geconcludeerd dan dat deze dieren dagelijks toezicht behoeven en ook dagelijks werden gevoerd. Met andere woorden ondanks dat nabij het onderhavige veehouderijbedrijf geen huisvesting voor de exploitant aanwezig was wordt de locatie ten behoeve van het voederen, drenken en verzorgen van dieren dagelijks door iemand bezocht. Deze informatie werd in gesprekken die wij hadden met omwonenden bevestigd. Op het onderhavige bedrijfsterrein werden diverse landbouwwerktuigen, specifiek bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf aangetroffen. Onder meer werden een mechanische melkinstallatie, een zogenaamde kuilblokkensnijder alsmede meerdere, specifiek voor rundvee en kleinvee bestemde veetrailers, een zogenaamde mengmestton (giertank) en kadaverton aangetroffen. Gelet op het aantreffen van runderen en schapen en middelen, zoals voer- en werktuigen kan de conclusie worden getrokken dat aldaar sprake was van het actief exploiteren van een veehouderijbedrijf. Gelet op het arrest van het gerechtshof in Amhem was de uitoefening van een veehouderijbedrijf op de locatie [a-straat 1] met ingang van de datum van het in kracht van gewijsde gaan van het arrest niet meer toegestaan en had verdachte er voor moeten zorg dragen dat het tot dan toe actief in werking zijnd veehouderijbedrijf conform het arrest zou worden ontmanteld een en ander gedurende de periode van 1 jaar als vermeld in dit arrest. Pagina 11: Bij afwezigheid van de exploitant/verdachte zijn door ons verbalisanten in gezamenlijk overleg met de Algemene Inspectiedienst, een aantal zaken en goederen, specifiek bestemd voor de uitoefening van een veehouderijbedrijf, geselecteerd welke vervolgens zijn in beslag genomen." e. een proces-verbaal, opgemaakt door de Rechter-Commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de Rechtbank te Zwolle, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]: "U legt mij uit dat het gaat om de vraag of [verdachte] zich heeft gehouden aan het bevel tot stillegging van het bedrijf in de periode november 2001 tot november 2002 en specifiek op 14 mei 2002. Ik weet daar wel wat van, omdat ik bij de behandeling bij het Gerechtshof ben geweest. Ik kan uit eigen waarneming zeggen dat [verdachte] het bedrijf in de betreffende periode, totdat het vee werd weggehaald, heeft gerund. Hij deed alle werkzaamheden. Ik kan vanaf mijn woning en erf prima achteruit kijken en heb dan uitzicht op de maïskuil. Ik zag hem dan met de kruiwagen voer halen voor de koeien. Verder zag ik hem ook wel voer halen uit de hooiberg. Als er mest werd gehaald door een loonbedrijf moest er extra vroeg iemand zijn en dat was vrijwel altijd [verdachte] Zijn vader heeft dat ook wel eens gedaan, maar dat was maar één à twee keer en dat viel dan op omdat hij er normaal niet was om het loonbedrijf op te vangen. Er gingen soms beesten dood en [verdachte] sleepte die dan naar de weg met de trekker. Als [betrokkene 1] er was, dan was dat meestal in het weekend. Hij kwam ook wel eens door de week, maar dan afzonderlijk van [verdachte] met zijn eigen auto. Ik heb hem in die periode nooit zien werken. Hij zat op een stoel of lag onder de boom op een matras. De oprit naar het bedrijf is pal langs mijn woning." f. een proces-verbaal, opgemaakt door de hiervoor genoemde Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2]: "Ik ben in Arnhem bij de rechtzaak geweest en ik wist van de beslissing die het gerechtshof heeft genomen. Ik begrijp dat het nu gaat om de vraag wie de bedrijfsvoering deed in de periode november 2001 tot en met 14 mei 2002, toen het vee werd weggehaald. Ik ben er geweest toen het bedrijf werd leeggehaald. [verdachte] was degene die het bedrijf voerde. Hij kwam dagelijks met de bus. [Betrokkene 1] kwam ook wel eens, maar hij liep dan rond of zat in de stoel. Ik heb hem nooit echt werk zien doen daar. De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 17 oktober 2006. Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.