ECLI:NL:HR:2006:AV2343
30 mei 2006
Strafkamer
nr. 00592/05
EC/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 12 oktober 2004, nummer 21/005979-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboortedatum] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Almelo van 1 december 2003 - de verdachte ter zake van "in een geval, waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.V.A. Brouwer, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
3.1. Het middel is gericht tegen het bewezenverklaarde opzet op het afleggen van een onjuiste verklaring. Het behelst onder meer de klacht dat het oordeel van het Hof dat uit de bedoeling van een opmerking van de verdachte in 1996 kan worden afgeleid dat hij in januari 2003, ruim zes en een half jaar later, opzettelijk een onjuiste verklaring heeft afgelegd, onbegrijpelijk is.
3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"verdachte op 14 januari 2003, in de gemeente Almelo, ter terechtzitting van de rechtbank te Almelo als getuige in de zaak (onder rolnummer 02/245 GEMWT V1 A) van [betrokkene 1] en Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Dinkelland, in welke zaak partijen verdeeld waren/zijn over de vraag inzake de omvang van de vloeroppervlakte die ten tijde van de peildatum 21 januari 1997 werd gebruikt voor detailhandel in dierbenodigdheden, nadat hij in handen van de rechter in de rechtbank te Almelo op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, ten dele in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - heeft verklaard: "U laat mijn tekening zien van de plattegrond van de winkel van de oude situatie. Ik heb deze plattegrond zelf gemaakt. Het is een plattegrond op schaal u ziet in de tekening puntjes staan." en "De tekening die ik gemaakt heb geeft de situatie weer vanaf begin 1996 tot augustus 1998. In die periode is de inrichting onveranderd zo gebleven." en "Ik wijs u op het vakje in de tekening rechtsonder waar in staat dier en 305. Dier staat voor dierbenodigdheden, dat was onze dierenafdeling incl. levende have als konijnen, cavia's, ratjes en muizen. 14 staat voor de kassagroep en 305 voor het aantal vierkante meters. Vanaf 1978 ben ik in het klein met dierbenodigdheden begonnen en vanaf 1996 besloeg die afdeling 305 m2. Aanvankelijk stonden de dierbenodigdheden verspreid door de hele winkel maar vanaf 1996 was het ineen in een afdeling" en - nadat de rechter hem verdachte een andere tekening heeft laten zien, die gemaakt is door verdachtes ex-werknemer [getuige 1] - "Deze tekening moet een weergave zijn van de situatie van voor 1996 toen allerlei spullen nog verspreid in de winkel stonden waaronder dierbenodigdheden en huishoudelijke artikelen. Mijn tekening geeft als gezegd de situatie weer vanaf 1996 tot augustus 1998." en aldus - zakelijk weergegeven - heeft verklaard dat er op de peildatum 21 januari 1997 een afdeling dierbenodigdheden was van 305 m2."
3.3. De tenlastelegging is toegesneden op art. 207 Sr. Deze bepaling luidt:
"1. Hij die in de gevallen waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling of schriftelijk, persoonlijk of door een bijzonder daartoe gemachtigde, opzettelijk een valse verklaring onder ede aflegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.
(...)."
3.4. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
a. een proces-verbaal van het getuigenverhoor van de Rechtbank te Almelo, voorzover inhoudende als verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 1):
"U laat mijn tekening zien van de plattegrond van de winkel van de oude situatie. Ik heb deze plattegrond zelf gemaakt. Het is een plattegrond op schaal u ziet in de tekening puntjes staan. De tekening die ik gemaakt heb geeft de situatie weer vanaf begin 1996 tot augustus 1998. In die periode is de inrichting onveranderd zo gebleven. Ik wijs u op het vakje in de tekening rechtsonder waarin staat dier en 305. Dier staat voor dierbenodigdheden, dat was onze dierenafdeling incl. levende have als konijnen, cavia's, ratjes en muizen. 14 staat voor de kassagroep en 305 voor het aantal vierkante meters. Vanaf 1978 ben ik in het klein met dierbenodigdheden begonnen en vanaf 1996 besloeg die afdeling 305 m². Aanvankelijk stonden de dierbenodigdheden verspreid door de hele winkel maar vanaf 1996 was het ineen in een afdeling" en nadat de rechter hem verdachte een andere tekening heeft laten zien, die gemaakt is door verdachtes ex-werknemer [getuige 1]: "Deze tekening moet een weergave zijn van de situatie van voor 1996 toen allerlei spullen nog verspreid in de winkel stonden waaronder dierbenodigdheden en huishoudelijke artikelen. Mijn tekening geeft als gezegd de situatie weer vanaf 1996 tot augustus 1998."
b. een proces-verbaal van het getuigenverhoor van de Rechtbank te Almelo, voorzover inhoudende als verklaring van [getuige 1] (bewijsmiddel 2):
"Ik heb van april 1996 tot april 1997 bij tuincentrum [A] gewerkt. Ik heb ondermeer dierbenodigdheden ingekocht. U laat mij een tekening zien die de winkel van [verdachte] voorstelt. Ik zie op die tekening de dierbenodigdheden met een oppervlakte van 305 m². Dit is niet de situatie van januari 1997. Voor de totstandkoming van de videoband op 8 mei 1996 heb ik in opdracht van [verdachte] de mensen van de gemeente die zijn wezen filmen begeleid. Van tevoren is met [verdachte] besloten wat gefilmd zou worden. [verdachte] heeft mij gezegd zwevend langs de dierbenodigdheden te gaan. Ik begreep wel waarom, want dan is niet te controleren hoe groot de oppervlakte van die dierbenodigdheden zou zijn. Het was toen een klein beetje. [verdachte] had toen al plannen om een dierspeciaalafdeling te beginnen. Dat had ik van hem gehoord."
c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar K. Kuik, voorzover inhoudende als relaas van de verbalisant (bewijsmiddel 3):
"Op 5 februari 2003 werd door de rechter van de rechtbank te Almelo mr. R.J. Jue aangifte gedaan van meineed in een bestuursrechtelijke procedure. Tijdens getuigenverhoren werd door de rechtbank vastgesteld dat ondermeer de getuige [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1946, een verklaring heeft afgelegd die niet overeenkomstig de waarheid was. De meningen van de getuigen verschilden met name over de vloeroppervlakte ten dienste van de dierbenodigdheden ten tijde van de peildatum 21 januari 1997 bij het tuincentrum [A] B.V. te Denekamp. Door [verdachte] werd een tekening van het bedrijf ingebracht met daarop een aparte afdeling met dierbenodigdheden met een oppervlakte van 305 m². Daarover werd door [verdachte] verklaard dat de tekening de situatie weergeeft van begin 1996 tot 1998. Door getuige [getuige 1] werd een door hem getekende plattegrond van de winkel ingebracht met daarop de indeling van de winkel zoals die volgens hem was tussen april 1996 en februari 1997. Videobeelden van 8 mei 1996 tonen de locaties van de uitgestalde goederen, waaronder de plaats van de dierbenodigdheden, aan. Op de beelden is te zien dat direct na binnenkomst in de winkel aan de rechterzijde tuingereedschappen en overige gereedschappen liggen uitgestald. Tevens is te zien dat de stellingwand met dierproducten zich bevindt nabij de kantoorruimte aan de linkerzijde van het gangpad. De beelden komen overeen met de aangeleverde plattegrond van [getuige 1] en niet met de plattegrond die [verdachte] in het geding heeft gebracht."
d. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 4):
"(...) De schets die door ons was gemaakt werd in de bestuursrechtelijke procedure ingebracht. Hierop staat de afdeling met dierbenodigdheden vermeld met een oppervlakte van 305 m² en is ingetekend rechts nabij de ingang van de winkel. Ik heb over de schets verklaard dat deze door mij werd gemaakt ergens in 1995 dan wel in 1996. Ook heb ik verklaard dat de schets de feitelijke situatie van de indeling van de winkel weergeeft vanaf begin 1996 tot augustus 1998. Aan de hand van de getoonde videobeelden, gemaakt op 8 mei 1996, heb ik gezien dat dit niet juist was. Op de videobeelden is namelijk te zien dat de dierbenodigdheden door de winkel verspreid stonden. De afdeling dierbenodigdheden bevond zich op die datum niet rechts bij de ingang van de winkel. (...)"
e.
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 30 mei 2006.
Hetgeen hiervoor onder 3.7 is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.