Rechtspraak Hoge Raad 2006-01-27
ECLI:NL:HR:2006:AU5283
Civiel recht
27 januari 2006 Eerste Kamer Rek.nr. R04/118HR RM/JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n 1. [De vrouw], wonende te [woonplaats], 2. MR. W. DE VILDER, in zijn hoedanigheid van bijzonder curator over de minderjarige [het kind], kantoorhoudende te Beek, VERWEERDERS in cassatie, niet verschenen. Bij verzoekschrift gedateerd 28 februari 2003, aangevuld bij verzoekschrift van 29 juli 2003, heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot de rechtbank te Maastricht en op de voet van art. 1:205 lid 1, aanhef en onder b, BW verzocht de erkenning van de minderjarige [het kind] te vernietigen. De man heeft voorts bij aanvullend verzoekschrift van 27 maart 2003 verzocht een bijzonder curator ten behoeve van [het kind] te benoemen. Bij beschikking van 24 april 2003 heeft de rechtbank mr. W. de Vilder benoemd tot bijzonder curator over de minderjarige [het kind]. Verweerster in cassatie sub 1 - verder te noemen: de vrouw - heeft geen verweerschrift ingediend. De bijzonder curator heeft gereageerd bij schrijven van 4 september 2003. De rechtbank heeft bij beschikking van 21 januari 2004 het verzoek afgewezen. Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Na mondelinge behandeling op 24 juni 2004 heeft het hof bij beschikking van 29 juli 2004 de beschikking van de rechtbank van 21 januari 2004 bekrachtigd. De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht. Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. Verweerders in cassatie zijn niet verschenen. De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep. De advocaat van de man heeft bij brief van 4 november 2005 op die conclusie gereageerd. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 27 januari 2006.