ECLI:NL:HR:2006:AU3446
31 januari 2006
Strafkamer
nr. 00137/05
SG/IC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 juli 2003, nummer 23/000632-02, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 15 november 2001, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte ter zake van 1. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven", 3. "bankbiljetten, waarvan de valsheid hem toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt uit te geven, opzettelijk in voorraad hebben" en 4. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de bewezenverklaring en kwalificatie van feit 3 en tot verbetering daarvan met vermelding van art. 440 (oud) Sr als toepasselijke wettelijke bepaling, alsmede tot vernietiging wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
3.2. De verdachte heeft op 23 juli 2003 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 20 januari 2005 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 16 augustus 2005 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaar zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. De rechter naar wie de zaak zal worden teruggewezen zal bij de strafoplegging die overschrijding dienen te betrekken.
4.1. Het derde middel houdt in dat het Hof het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
4.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Ontvankelijk van het openbaar ministerie
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte ter zake van het onder 1. tenlastegelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
De aanleiding voor het opsporingsonderzoek naar (onder anderen) verdachte werd in belangrijke mate gevormd door de resultaten van een opsporingsonderzoek in het Verenigd Koninkrijk (hierna: het Britse-onderzoek) naar een verdachte, genaamd [betrokkene 1]. In dit onderzoek is gebruik gemaakt van een criminele burgerinfiltrant in de persoon van [getuige 1]. Uit de eigen verklaringen van [getuige 1] en uit de verklaringen van zijn runner [getuige 2], werkzaam bij de Metropolitan Police Service, blijkt immers dat [getuige 1] niet alleen informant was, maar ook met toestemming van de Britse autoriteiten criminele activiteiten heeft verricht.
Dat in het Britse-onderzoek een ongeoorloofde opsporingsmethode is toegepast blijkt, volgens de raadsman, voorts uit:
- het stopzetten van de vervolging tegen [betrokkene 1];
- de brief van 21 juni 2002 van Peter Graham Hughman en het daarbij gevoegde statement, alsmede het advies van 12 februari 2001 van D.J.F. Wright, welke stukken de raadsman aan het hof heeft overgelegd;
- de weigering van de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk medewerking te verlenen aan het horen van de getuigen [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 4].
Nu in de onderhavige zaak tegen verdachte door het openbaar ministerie nagenoeg uitsluitend gebruik is gemaakt van bewijsmateriaal dat in het Britse-onderzoek is vergaard, dient de Nederlandse rechter de in dit onderzoek gebezigde opsporingsmethoden te toetsen aan de in het Nederlandse recht ontwikkelde criteria. Die toetsing leidt tot de conclusie dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte, subsidiair dat de resultaten van het (Nederlandse) onderzoek (hierna: het Draft-onderzoek) voor het bewijs dienen te worden uitgesloten.
Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende.
Uit het strafdossier en uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat in het Verenigd Koninkrijk in de periode van januari 1998 tot en met april 1998 door ambtenaren van H.M. Customs & Excise een strafrechtelijk onderzoek is gedaan naar een organisatie die zou worden geleid door [getuige 1], die ervan werd verdacht zich bezig te houden met de invoer van cocaïne en hasjiesj in Engeland en Noord Ierland alsmede van het witwassen van de opbrengsten uit de handel in verdovende middelen. In dit verband zou [getuige 1] contact hebben gehad met [betrokkene 1], naar wie ook een strafrechtelijk onderzoek is gestart.
Op 25 april 1998 is in het kader van het op [getuige 1] gerichte onderzoek een aantal verdachten aangehouden, onder wie [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 4]. De verdachte [getuige 1] heeft in zijn tegenover ambtenaren van H.M. Customs & Excise afgelegde verklaringen informatie gegeven over contacten met Nederlandse personen. H.M. Customs & Excise heeft deze informatie op 23 juli 1998 ter kennis doen brengen aan het Landelijk Bureau Openbaar Ministerie te Rotterdam. Vervolgens is door de Britse autoriteiten uitvoering gegeven aan een Nederlands rechtshulpverzoek en is de verdachte [getuige 1] op 2 september 1998 door Nederlandse opsporingsambtenaren in het Verenigd Koninkrijk gehoord. De verdachten [getuige 3] en [getuige 4] zijn respectievelijk op 8 februari 1999 en 10 februari 1999 gehoord, ook in verband met de uitvoering van verschillende rechtshulpverzoeken van het Nederlandse openbaar ministerie. Op grond van de uit die verhoren verkregen informatie is in Nederland het onderzoek gestart tegen (onder anderen) de verdachten [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 3]. In november 2000 is de verdachte [medeverdachte 1] aangehouden. De verdachte [medeverdachte 3], die in het gezelschap van [medeverdachte 1] was, is toen tevens aangehouden. De verdachte [verdachte] is kort nadien aangehouden.
[getuige 1] is op 22 mei 2001 te Londen als getuige gehoord in (onder andere) de zaak van verdachte. Bij dit verhoor was de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, alsmede de raadsman van verdachte en de raadslieden van de andere verdachten aanwezig. [getuige 1] heeft toen - verkort en zakelijk weergegeven - verklaard dat hij sinds 1989 informant is van de politie en dat hij sinds 1993 in dit verband is gerund door police constable [getuige 2].
Op 2 november 2001 is [getuige 2] als getuige gehoord in onder andere de zaak van verdachte. Het verhoor werd afgenomen in aanwezigheid van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, alsmede de raadsman van verdachte en de raadslieden van de andere verdachten. [getuige 2] heeft toen - verkort en zakelijk weergegeven - verklaard dat hij werkzaam is bij de Metropolitan Police Service en sinds 1989 informanten runt. [getuige 1] was een geregistreerde informant, die in dit verband aan [getuige 2] informatie heeft verschaft over anderen. [getuige 2] heeft verklaard dat aan [getuige 1] niet is gevraagd om deel te nemen aan criminele activiteiten.
De Metropolitan Police Service te Londen heeft bij brief van 31 oktober 2001, ondertekend door Stephen Condon, detective superintendent, op vragen van de officier van justitie mr. J. Plooij bericht - verkort en zakelijk weergegeven - dat het de Metropolitan Police Service niet bekend is dat de Britse autoriteiten [getuige 1] zouden hebben toegestaan om in verdovende middelen te handelen.
Ook H.M. Customs & Excise heeft bij brief van 2 november 2001 aan de officier van justitie mr. J. Plooij bericht dat er geen gebruik is gemaakt van ongeoorloofde opsporingsmethoden in het onderzoek naar [betrokkene 1] en dat in het Britse onderzoek uitsluitend gebruik is gemaakt van opsporingsmethoden die naar het recht van het Verenigd Koninkrijk geoorloofd zijn. Voorts is in deze brief vermeld dat de Britse autoriteiten afgezien hebben van verdere vervolging van [betrokkene 1] bij gebreke van voldoende bewijs tegen hem.
Het hof stelt voorop dat op basis van de mededelingen van de Britse autoriteiten het vertrouwen gerechtvaardigd is dat de informatie op basis waarvan in Nederland het opsporingsonderzoek naar (onder anderen) de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 3] is gestart, in het Britse opsporingsonderzoek is verkregen op een naar het recht van het Verenigd Koninkrijk rechtmatige wijze. Het hof leidt uit deze mededelingen voorts af dat in het Britse onderzoek geen criminele burgerinfiltratie heeft plaatsgevonden.
De door de raadsman overgelegde brief van 21 juni 2002 van Peter Graham Hughes (met bijlage) noch het advies van 12 februari 2001 van D.J.F. Wright noch de overige aangevoerde omstandigheden geven aanleiding de juistheid van hetgeen de Britse autoriteiten met betrekking tot de gebezigde opsporingsmethoden hebben verklaard verder te onderzoeken. De stelling van de verdediging dat de vervolging van [betrokkene 1] niet is voortgezet in verband met aan het opsporingsonderzoek klevende gebreken, wordt weerlegd door de eerder vermelde informatie van H.M. Customs & Excise dat de vervolging is stopgezet omdat er onvoldoende bewijs is tegen [betrokkene 1]. De brief van 3 oktober 2002 van National Criminal Intelligence Service, DLO Office, British Embassy The Hague, ondertekend door Paul Harris, Drug Liaison Officer, aan de advocaat-generaal mr. I.M.H.
5.1. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 3 ontoereikend is gemotiveerd aangezien uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte het oogmerk had om de bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven.
5.2. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:
"hij op 24 november 2000 te Huizen opzettelijk een bankbiljet van 100 Nederlandse guldens en een bankbiljet van 100 Duitse marken, waarvan de valsheid verdachte, toen hij die bankbiljetten ontving, bekend was, met het oogmerk om die bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad, bestaande die valsheid hierin dat voor die bankbiljetten een van echt afwijkende papiersoort en druk- of reproductietechniek was gebruikt en dat de overige echtheidskenmerken ontbraken."
5.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voorzover inhoudende:
"Bij mijn aanhouding op 24 november 2000 zijn twee valse bankbiljetten aangetroffen in mijn woning in Huizen."
b. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende
als verklaring van de verdachte:
"Die bankbiljetten van NLG 100,-- en DM 100,-- zijn vals. Ik heb die een keer gehad van iemand."
c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar F.J. Meulenbroek, voorzover inhoudende als relaas van verbalisant:
"Op 24 november 2000 werd in perceel De Hofstede 2 te Huizen aangehouden [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964.
Tijdens de doorzoeking werden onder meer de navolgende voor inbeslagneming vatbare voorwerpen in de slaapkamer (kledingkast) aangetroffen:
- 1 vermoedelijk vals bankbiljet van FL. 100,-- (9973782657)
- 1 vermoedelijk vals bankbiljet van DM 100,-- (AY4301981Y2)."
d. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar J.B.W.M. Westerburger, voorzover inhoudende als relaas van verbalisant:
"Op 28 november 2000 heb ik van verbalisant Meulenbroek ontvangen:
- een bankbiljet van NLG 100,00 met documentnummer 9973782657;
- een bankbiljet van DEM 100,00 met documentnummer AY4301981Y2.
De bankbiljetten zijn vals; de navolgende kenmerken van valsheid zijn gevonden:
- onjuiste gebruikte papiersoort;
- afwijkende gebruikte druk/reproductie technieken
- ontbreken van de overige echtheidskenmerken.
De bankbiljetten zijn vervaardigd door middel van een kopieertechniek."
5.4. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden niets in waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte het oogmerk had de bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven. Het middel slaagt.
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;
Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep wordt berecht en afgedaan;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst, J.W. Ilsink en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 31 januari 2006.
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.