Rechtspraak Hoge Raad 1999-09-08
ECLI:NL:HR:1999:AA4747
Nr. 34777 8 september 1999 gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 september 1998 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1991 tot en met 31 december 1995 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 89.293,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep ongegrond heeft verklaard. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen van cassatie voorgesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. Na het verstrijken van de cassatietermijn heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Op dit stuk kan echter geen acht worden geslagen, nu de wet niet de mogelijkheid biedt zodanig stuk in te dienen. 3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende, die orthopedagogie heeft gestudeerd, was in het onderhavige tijdvak op zelfstandige basis werkzaam als psychotherapeute. Zij is ingeschreven in het register van psychotherapeuten (niet zijnde artsen of psychologen) van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Naar aanleiding van een bij haar in 1996 gehouden boekenonderzoek heeft de Inspecteur, zich op het standpunt stellende dat belanghebbendes prestaties niet kunnen delen in de vrijstelling, neergelegd in artikel 11, lid 1, letter g, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet), de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd. 3.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende, die in het tijdvak van naheffing niet de hoedanigheid van psycholoog had in de zin van artikel 11, lid 1, onderdeel g, van de Wet, terwijl in datzelfde tijdvak voor psychotherapeuten geen regels waren gesteld op grond van de Wet op de paramedische beroepen, aan de wettelijke bepalingen geen bevoegdheid kan ontlenen met betrekking tot de door haar verrichte diensten als psychotherapeut, waardoor de vrijstelling van omzetbelasting ten aanzien van die diensten toepassing mist; dat in zoverre een verschil in behandeling kan ontstaan tussen het verrichten van de diensten door belanghebbende en het verrichten van overeenkomstige diensten door een psycholoog in het kader van diens beroep als psycholoog. Uit de tekst van genoemd wetsartikel heeft het Hof afgeleid dat de wetgever de vrijstelling voor diensten in het kader van de (geestelijke) gezondheidszorg afhankelijk heeft willen stellen van een bepaalde kwalificatie van de desbetreffende beroepsbeoefenaar c.q. van een wettelijke regeling van het desbetreffende beroep, en heeft geoordeeld dat voorzover in het onderhavige geval al sprake is van gelijke gevallen zulks, mede gelet op het maatschappelijk belang van evenbedoelde diensten, een objectieve en redelijke rechtvaardiging vormt voor een verschil in behandeling als hiervóór bedoeld, zodat het beroep van belanghebbende op schending van het bepaalde in artikel 26 van het IVBPR in zoverre faalt. 3.2.2. Tegen laatstgenoemd oordeel richt zich middel 1. Het middel voert aan: - dat, nu alle geregistreerde psychotherapeuten hetzelfde uurtarief hanteren voor psychotherapie, diegenen die niet gebruik kunnen maken van de vrijstelling in een nadeliger positie verkeren aangezien de omzetbelasting niet afgewenteld kan worden; - dat de post-doctorale opleiding tot psychotherapeut de verschillen in academische vooropleiding compenseert, waardoor een homogene groep ontstaat; - dat het in 1987 ingestelde overheidsregister waarin de psychotherapeuten zijn opgenomen fungeert als voorloper van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG), waarin de geregistreerde psychotherapeuten als groep worden erke