Rechtspraak Hoge Raad 1999-12-15
ECLI:NL:HR:1999:AA4330
Nr. 34736 15 december 1999 gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 11 september 1998 betreffende na te melden aan hem voor het jaar 1992 opgelegde aanslag in de waterschapslasten van het waterschap Oost-Veluwe. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag in de waterschapslasten van het waterschap Oost-Veluwe (thans: waterschap Veluwe) (hierna: het schap) opgelegd tot een bedrag van f 134,62, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het Hoofd van de afdeling financiën van het schap (hierna: het Hoofd) is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van het Hoofd in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het College van Dijkgraaf en Heemraden van het schap heeft een vertoogschrift ingediend. 3. Beoordeling van de klachten 3.1. De in cassatie aangevoerde klachten betreffen de omslag van de kosten van de waterkering. Op grond van artikel 11 van de Belastingverordening voor het waterschap Oost-Veluwe (hierna: de Verordening) wordt in deze omslag betrokken “het ongebouwd en gebouwd onroerend goed, dat geheel of gedeeltelijk lager gelegen is dan de zomerwaterkering en de geprojecteerde hoogte van de hoofdwaterkering, zoals is aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart”. De geprojecteerde hoogte van de hoofdwaterkering is blijkens de gedingstukken de maatgevende hoogwaterstand (MHW) voor het dijkvak ter hoogte van het desbetreffende perceel, vermeerderd met 0,5 m waakhoogte. 3.2. Indien wordt uitgegaan van het dijkvak waarvan belanghebbende voor het Hof heeft gesteld dat het bepalend is - het Hof is van een ander dijkvak uitge- gaan - en indien niet wordt gerekend met de door het waterschap gehanteerde MHW maar de door belanghebbende bepleite lagere MHW volgens de tot de gedingstukken behorende Nota van het RIZA 93.021, bedraagt de geprojecteerde hoogte van de hoofdwaterkering 4,6 m + 0,5m = 5,1 m +NAP. De onroerende zaak van belanghebbende ligt op een hoogte van 4,75 m + NAP. Derhalve is ook bij de door belanghebbende verdedigde uitgangspunten zijn onroerende zaak volgens de Verordening terecht in de omslagheffing voor waterkering betrokken. In zoverre falen de klachten. 3.3. Het Hof is voorts terecht ervan uitgegaan dat artikel 11 van de Verordening verbindend is en dat niet, zoals door belanghebbende bepleit, slechts onroerende zaken in de omslag voor waterkering mogen worden betrokken die belang zouden hebben bij de aanleg van dijkwerken in de fictieve situatie dat er (kennelijk: in de Rijndelta) geen dijken zouden zijn. De klachten falen derhalve ook voor het overige. 4. Ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie 4.1 Voor het Hof was tevens in geschil of de omslag van de kosten van de zorg voor de waterbeheersing ten laste van het perceel van belanghebbende terecht is berekend op basis van indeling van dat perceel in omslagklasse III. Het Hof heeft daaromtrent geoordeeld: “Tegenover de schatting van de specifieke afvoer van zijn perceel - volgens het vertoogschrift 0,2 l/sec./ha ofwel 172,8 m3/etmaal/ha - voert belanghebbende niets aan waaruit zou volgen dat de ambtenaar, mede gelet op de blijkens de voormelde toelichting voor klasse III tot uitgangspunt dienende globale afvoernorm, ten onrechte de indeling in deze klasse zou hebben toegepast. Belanghebbendes verzoek om indeling van zijn perceel in klasse IV is onvoldoende met feitelijke gegevens ondersteund om te kunnen worden ingewilligd.” 4.2. Artikel 12, lid 2, van de Verordening bepaalt de verhouding waarin de verschillende omslagklassen bijdragen in de waterbeheersingslasten. Die verhouding is 10 (klasse I) : 6 (klasse II) : 3 (klasse III) : 2 (klasse IV) : 0 (