Rechtspraak Hoge Raad 1999-12-03
ECLI:NL:HR:1999:AA3816
3 december 1999 Eerste Kamer Nr. C98/003HR AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr J.C. van Oven, t e g e n DE STICHTING VAM, OPLEIDINGSINSTITUUT VOOR HET MOTORVOERTUIG-, TWEEWIELER- EN AANVER-WANTE BEDRIJF, handelende onder de naam INNOVAM, gevestigd te Nieuwegein, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie [..] heeft bij ongedateerd exploit verweerster in cassatie - verder te noemen: Innovam - gedagvaard voor de Kantonrechter te Leiden en - na wijziging van eis - gevorderd: primair: dat Innovam wordt veroordeeld tot opname van [eiseres] met ingang van 1 september 1978 in de ondernemingspensioenregeling naar evenredigheid van de opbouw die zou hebben plaatsgevonden ware [eiseres] in de periode van 1 september 1978 tot heden bij Innovam in dienst geweest op basis van een fulltime dienstverband, een en ander op straffe van een dwangsom van ƒ 1.000,-- per dag, met veroordeling van Innovam tot betaling van alle kosten verbonden aan die toekenning, te verminderen met het werknemersaandeel van de pensioenpremies voor zover een vordering ter zake van Innovam niet verjaard is; subsidiair: een verklaring voor recht dat Innovam gebonden is [eiseres] schadevergoeding te betalen van een zodanige aard en omvang dat daarmee haar schade als gevolg van het gemis van pensioenopbouw via de bij Innovam toepasselijke ondernemingspensioenregeling vanaf 1 september 1978 volledig wordt gecompenseerd. Innovam heeft de vorderingen bestreden. De Kantonrechter heeft na een aantal tussen- vonnissen bij eindvonnis van 4 oktober 1994 voor recht verklaard dat Innovam gehouden is [eiseres] schadevergoeding te betalen van een zodanige aard en omvang, dat daarmee haar schade als gevolg van het gemis van pensioenopbouw via de ondernemingspensioenregeling, die bij Innovam van toepassing is, vanaf 1 september 1978 volledig wordt gecompenseerd, en aan [eiseres] het meer of anders gevorderde ontzegd. Tegen dit eindvonnis heeft Innovam hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te 's-Gravenhage. [Eiseres] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en daarbij haar subsidiaire eis gewijzigd in een vordering tot schadevergoeding, op te maken bij staat. Na een tussenvonnis van 16 april 1997 heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 3 september 1997 in het principaal en incidenteel hoger beroep het eindvonnis van de Kantonrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, Innovam veroordeeld [eiseres] alsnog met ingang van 15 oktober 1987 op te nemen in haar ondernemingspensioenregeling en in verband daarmee alsnog voor haar rekening te nemen de daarmee verband houdende inkoopsom, welke over de periode 15 oktober 1987 tot 1 januari 1992 uitsluitend op basis van de werknemerspremies is berekend, en het meer of anders gevorderde afgewezen. Beide vonnissen van de Rechtbank zijn aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen beide vonnissen van de Rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Tegen de niet verschenen Innovam is verstek verleend. [eiseres] heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat. De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot afdoening in voege als onder 17 van deze conclusie is vermeld. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende. [Eiseres] is van 1 september 1978 tot 1 november 1993 op arbeidsovereenkomst voor halve dagen als administratief medewerkster in dienst geweest van Innovam. Volgens het destijds toepasselijke pensioenreglement van 1 januari 1978 konden werknemers slechts in de pensi-oenregeling worden opgenomen indien zij een volledige dag-taak hadden. [Eiseres] kwam volgens het pensioenreglement niet voor opneming in de pensioenregeling in aanmerking. Met ingang van 1 januari 1992 is een nieuw pensioen-regleme 2012 (oud) BW) als onder het huidige recht (art.3:308) een verja-ringstermijn geldt van vijf jaar. Naar het oordeel van de Rechtbank is de toepassing van deze ver-jaringsregels op de op het gemeen-schapsrecht gegronde vor-deringen van [eiseres] niet ongunsti-ger dan voor soort-gelijke vorderingen terzake van achter-stallig salaris en maakt zij het in de praktijk niet onmoge-lijk voor [eiseres] om het aan het gemeenschapsrecht ontleen-de recht uit te oefenen. Het beroep van Innovam op verjaring achtte de Rechtbank dan ook gegrond. Innovam is daarom niet verplicht tot betaling van premies ten aanzien van een periode vóór 15 oktober 1987. In haar eindvonnis heeft de Rechtbank Innovam veroor-deeld om [eiseres] met ingang van 15 oktober 1987 op te nemen in haar pensioenregeling en in verband daarmee alsnog voor haar rekening te nemen de daarmee verband hou-dende inkoopsom welke over de periode 15 oktober 1987 tot 1 januari 1992, uitsluitend op basis van de werkgevers-premies, is berekend. Het middel keert zich tegen het tussenvonnis en het eindvonnis van de Rechtbank. Onderdeel 1 van het middel is een inleiding en bevat geen zelfstandige klacht. 3.5 De Hoge Raad zal eerst onderdeel 3 behandelen. Dit onderdeel, dat zich richt tegen het oordeel van de Recht-bank in rov. 6.9 van het tussenvonnis dat de verplichting van Innovam om [eiseres] op te nemen in de pensioenregeling "zich vertaalt" in een verplichting tot betaling van premies door de werkgever en werknemer waarop art. 2012 (oud) BW van toepassing is, treft doel. De primaire vordering van [eiseres] kan niet anders worden opgevat dan als een vordering tot herstel van de schade die [eiseres] heeft geleden als gevolg van het tekort-schieten van Innovam in de nakoming van de voor haar uit art. 119 voortvloeiende verplichting om [eiseres] met betrek-king tot de opneming in de pensioenregeling op gelijke wijze te behandelen als werknemers in dienst bij Innovam met een volledige dagtaak. Een dergelijke vordering is in wezen een vordering tot vergoeding van schade en kan niet worden ge-lijkgesteld met een vordering om alsnog niet betaalde pensi-oenpremies te voldoen. Reeds daarom is art. 2012 niet van toepassing op de onderhavige vordering. Boven-dien heeft de Rechtbank, waar zij in haar rov 6.9 oordeelt dat de ver-plichting van Innovam om [eiseres] aan te sluiten bij de pensioenregeling zich vertaalt in een verplichting tot beta-ling van premies en dat daarop art. 2012 van toepas-sing is, ten onrechte de werkingssfeer van deze bepa-ling zover uitge-breid dat zij ook op een vordering tot vergoeding van schade als de onderhavige van toepassing zou zijn. Door zulk een toepassing zou de werkgever, die heeft -nagelaten zijn pensi-oenregeling aan te passen aan het ge-meenschapsrecht, op on-aanvaardbare wijze worden beschermd ten koste van de werk-nemer. Dit zou niet stroken met de strekking van de dwingen-drechtelijke regeling van art. 119, noch met de op bescherm-ing van de werknemer gerichte regels betreffende de ar-beids-overeenkomst. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat, anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, ook art. 3:308 BW niet op een geval als het onderhavige van toepassing zou zijn. 3.6 Uit hetgeen onder 3.5 is overwogen volgt dat het tussenvonnis van de Rechtbank moet worden vernietigd. De overige onderdelen van het middel behoeven geen behandeling meer. Nu het tussenvonnis geen stand houdt, moet ook het eindvonnis, dat op het tussenvonnis voortbouwt, worden vernietigd. 3.7 De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Nu, naar volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, het beroep van Innovam op verjaring moet worden verworpen, moet Innovam worden veroor-deeld om [eiseres] met ingang van 1 september 1980 op te ne-men in haar ondernemingspensioenregeling en in verband daar-mee alsnog voor haar rekening te nemen de hiermede verband houdende inkoopsom welke uitsluitend op basis van de werk-geverspremies moet worden berekend. Dit betekend dat ook het eindvonnis van de Kantonrechter, 119 EG-verdrag - bij de Kantonrechter te Leiden primair gevorderd Innovam te veroorde-len 1) haar op te nemen in de ondernemingspensioenregeling en haar opbouw van pensioen toe te kennen met terugwerkende kracht tot 1 september 1978, waarbij de omvang van de pensioe-nopbouw dient te worden vastgesteld naar evenredigheid van de opbouw die zou hebben plaatsgevonden indien zij vanaf 1 sep-tember 1978 bij Innovam in dienst zou zijn geweest op basis van een voltijds dienstverband; 2) alle kosten verbonden aan de onder 1 bedoelde toekenning te betalen; en subsidiair een verklaring voor recht dat Innovam gehouden is haar schadever-goeding te betalen van een zodanige aard en omvang dat daarmee haar schade als gevolg van het gemis van pensioenopbouw via de ondernemingspensioenregeling die bij Innovam van toepassing is vanaf 1 september 1978 volledig wordt gecompenseerd; een en ander met nevenvorderingen. Innovam heeft tegen de vordering primair aangevoerd dat de uitsluiting van parttime-werknemers in de pensioenregeling niet in strijd is met art. 119 EG-verdrag; zij beriep zich daarbij op een objectieve rechtvaardigingsgrond. Voor het geval dit betoog zou worden verworpen, heeft Innovam zich subsidiair op het standpunt gesteld dat [eiseres] - in verband met het Barber-arrest - niet eerder dan met ingang van 17 mei 1990 aanspraak kan maken op deelname in de pensioenregeling en de opbouw van pensioen. 4. Bij tussenvonnis van 1 september 1993 heeft de Kanton-rechter te Leiden op verzoek van partijen de beslissing aang-ehouden in afwachting van de uitspraken van het Hof van Justi-tie van de Europese Gemeenschappen in de zaken Vroege (C-57/93) en Fisscher (C-128/93). Nadat het Hof van Justitie op 28 september 1994 in ge-noemde zaken uitspraak had gedaan, is de procedure voortgezet. In het verdere debat heeft Innovam haar verweer gehandhaafd dat de uitsluiting van parttime-werknemers in de pensioenrege-ling niet in strijd is met art. 119 EG-verdrag. Haar verweer dat [eiseres] niet eerder dan met ingang van 17 mei 1990 aanspraak kan maken op deelname in de pensioenregeling en de opbouw van pensioen, heeft Innovam in het licht van de genoem-de uitspraken van het Hof van Justitie niet gehandhaafd. Zij heeft betoogd dat de vordering van [eiseres] een loonvordering is die zowel naar het oude recht (art. 2012 (oud) BW) als naar het huidige recht (art. 3:307, lid 1, BW) verjaart na verloop van vijf jaren, zodat de vordering van [eiseres] slechts betrekking kan hebben op een periode van vijf jaar voorafgaan-de aan de datum van de dagvaarding (15 oktober 1992). Voorts heeft zij betoogd dat [eiseres] het werknemersdeel van de pensioenpremie voor haar rekening moet nemen. [eiseres] heeft bij akte het beroep op verjaring bestre-den. 5. De Kantonrechter verwierp bij eindvonnis van 4 oktober 1995 (Pensioen Jurisprudentie 1995, 62 m.nt. P.M. Siegman) Innovams verweer dat de uitsluiting van parttime-werknemers in de pensioenregeling niet in strijd is met art. 119 EG-verdrag. Hij overwoog voorts dat uit de uitspraak in de zaak Fisscher blijkt dat art. 119 van het EG-Verdrag kan worden ingeroepen om met terugwerkende kracht tot 8 april 1976 (de datum van de uitspraak in de zaak Defrenne II) het recht op aansluiting bij de bedrijfspensioenregeling te vorderen. Wat het beroep op verjaring betreft, heeft de Kantonrech-ter vooropgesteld dat niet art. 3:308 maar art. 3:307 van toepassing is. Waar het gaat om de primaire vordering tot nakoming, betekent de toepasselijke verjaringstermijn van vijf jaar, aldus de Kantonrechter, dat deze vordering voor een aanmerkelijk deel zou moeten worden afgewezen. Wat de subsidi-aire vordering tot schadevergoeding betreft, begint de verja-ringstermijn evenwel pas te lopen op de dag waarop [eiseres] met de schade bekend is geworden, aldus de Kantonrechter. Naar zijn oordeel kan daarvoor als uitgangspunt gekozen worden het jaar 1991, waarin de Adviesraad van de Regering voor het Emancipatiebeleid zijn rapport "Gelijke behandeling Zij heeft onderschreven dat de rechtsvordering tot opname in de pensi-oenregeling ten laste van de werkgever naar oud recht in beginsel was onderworpen aan de verjaringstermijn van 30 jaar. Omdat de rechtsvordering tot betaling van de werknemerspremies reeds na vijf jaar verjaart, zou toepassing van de termijn van 30 jaar evenwel tot gevolg hebben dat [eiseres] in een betere positie zou geraken dan haar mannelijke collega's die alle jaren werknemerspremies hebben betaald. Art. 119 EG-Verdrag verzet zich daarom tegen toepassing van de termijn van 30 jaar, aldus Innovam. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat de termijn van 30 jaar buiten toepassing dient te blijven ing-evolge het bepaalde in art. 75 Overgangswet aangezien het - gelet op de onduidelijkheid die tot 1994 over de pensioenrech-ten van deeltijdwerkers heeft bestaan - in strijd met rede-lijkheid en billijkheid is dat, zoals het gevolg van toepas-sing van de termijn van 30 jaar zou zijn, "de lasten van opname van [eiseres] in de pensioenregeling praktisch eenzij-dig bij Innovam komen te liggen." Tot slot heeft Innovam bestreden dat de primaire vordering van [eiseres] bij wege van schadevergoeding zou kunnen worden toegewezen en heeft zij aangevoerd dat, al zou dat anders zijn, deze vordering op grond van art. 3:310 is onderworpen aan een verjaringstermijn van vijf jaar die zeker vanaf 1986 is gaan lopen. Partijen hebben haar standpunten bij pleidooi nader toegelicht. Daarbij heeft Innovam onder meer nog aangevoerd dat een vordering op grond van art. 119 EG-Verdrag, anders dan [eiseres] betoogt, strekt tot nakoming van een verplichting die in de arbeidsverhouding ligt besloten. Voorts heeft Inno-vam betoogd dat de vorderingen van [eiseres], nu [eiseres] deze kennelijk op onrechtmatige daad baseert, niet kunnen worden toegewezen omdat [eiseres] niet alle daarvoor vereiste elementen, in het bijzonder "verwijtbaarheid", heeft gesteld. 7. De Rechtbank te 's-Gravenhage heeft in haar tussenvonnis van 16 april 1997 (Pensioen Jurisprudentie 1997, 39 m.nt. H.P. Breuker; JAR 1997, 62) - als tussen partijen niet in geschil - tot uitgangspunt genomen dat de in de pensioenreglementen van Innovam van vóór 1 januari 1992 vervatte uitsluiting van deeltijdwerknemers in strijd is met art. 119 EG-Verdrag. Zij heeft overwogen dat deze verboden discriminatie niet los gedacht kan worden van de arbeidsverhouding tussen partijen, zodat "-anders dan [eiseres] kennelijk meent - haar primaire vordering niet gegrond [kan] zijn op onrechtmatig nalaten". Het ligt volgens de Rechtbank voor de hand deze vordering - die strekt tot het met terugwerkende kracht opnemen van [eise-res] in de ondernemingspensioenregeling - aan te merken als een vordering tot nakoming (rechtsoverweging 6.6). De Rechtbank heeft vastgesteld dat Innovam op grond van het gemeenschapsrecht jegens [eiseres] gehouden was een pensi-oentoezegging te doen als welke zij eerst met ingang van 1 januari 1992 jegens haar heeft gedaan. Naar het oordeel van de Rechtbank is de vordering tot nakoming van deze verplichting krachtens art. 2004 (oud) BW onderworpen aan een verjaring-stermijn van 30 jaar. Deze termijn liep op grond van art. 73 Overgangswet door tot 1 januari 1993 en is door [eiseres] op 15 oktober 1992 met het uitbrengen van de dagvaarding gestuit, aldus de Rechtbank (rechtsoverweging 6.7). De Rechtbank heeft opgemerkt dat [eiseres], gelet op vermelde stuiting, nog steeds het recht heeft om van Innovam aansluiting bij de bedrijfspensioenregeling te eisen. Onder verwijzing naar het Fisscher-arrest tekent zij daarbij aan dat [eiseres] zich niet kan onttrekken aan betaling van de op de betrokken periode van aansluiting betrekking hebbende premie. Daarop heeft de Rechtbank echter overwogen: "6.9. Nu in 1978 voor werknemers van Innovam een wachttijd van twee jaar gold kan [eiseres] in beginsel vorderen dat Innovam gehouden is [eiseres] met terugwerkende kracht tot 1 september 1980 op te nemen in haar pensioenregeling. Innovam voert in haa Het Hof motiveert zulks met een verwijzing naar de uitspraak Bilka, waarin voor het recht op aansluiting geen enkele beperking in de tijd is voorzien. In de uitspraken Dietz van 24 oktober 1996 (C-435/93; Jur. 1996, p. I-5223) en Magorrian en Cunningham van 11 decem-ber 1997 (C-246/96; Jur. 1997, p. I-7153) verduidelijkte het Hof dat het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenrege-ling het recht impliceert om uit hoofde van die regeling pensioen te ontvangen. Op grond van art. 119 kunnen op discri-minerende wijze uitgesloten deeltijdwerknemers derhalve in beginsel aanspraak maken op aansluiting bij de betrokken pensioenregeling en op opbouw van pensioen met terugwerkende kracht tot aan de datum van de uitspraak Defrenne II (8 april 1976). De Rechtbank heeft in rechtsoverweging 6.7 dan ook terecht overwogen dat "Innovam op grond van het gemeenschaps-recht jegens [eiseres] gehouden was een pensioentoezegging te doen als welke zij eerst met ingang van 1 januari 1992 jegens [eiseres] heeft gedaan". Zie voor een toepassing van de genoemde Europese recht-spraak Uw arrest van 6 november 1998, NJ 1999, 398 m.nt. TK en nadere gegevens in de conclusie van (toenmalig) A-G Mok. Zie over de Europese rechtspraak in dit verband voorts (ik maak een selectie uit de vloed van literatuur) M.R. Mok, TVVS 1994, p. 308-312; W.P.M. Thijssen, Advocatenblad 1994, p. 1000-1007; P.M. Siegman, PS 1994, p. 1976-1983; J. Wouters, Rechtskundig Weekblad 1994-1995, p. 1385-1396 en 1417-1431; E.A. Whiteford, SMA 1995, p. 638-643; S. Prechal en J. Wouters, SEW 1995, p. 759-792; J. Wouters, NJCM-Bulletin 1995, p. 274-302; M. Kraamwinkel, Pensioen, emancipatie en gelijke behandeling (diss. Utrecht 1995), p. 48 e.v.; I. van der Steen, Tijd-schrift voor Europees recht 1997, p. 115-119; E.A. Whiteford, Adapting to Change (diss. Leiden 1997), p. 133 e.v.; P.M. Tulfer, Pensioenen, fondsen en verzekeraars, 1997, p. 155 e.v.; M.H. van Coeverden, ArbeidsRecht 1998, 6/7, p. 11-14 en R. Barents/L.J. Brinkhorst, Grondlijnen van Europees recht, 1998, p. 451-454. Zie voor de pensioenpositie van deeltijdwer-kers thans ook art. 2a, lid 1, Pensioen- en spaarfondsenwet. 10. In de reeds aangehaalde uitspraak in de zaak Fisscher heeft het Hof van Justitie - in overeenstemming met zijn vaste rechtspraak - voorts geoordeeld dat de in het nationale recht geldende "beroepstermijnen" (waartoe het ook de termijn van de verjaring van de rechtsvordering rekent) kunnen worden tegeng-eworpen aan werknemers die hun recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling doen gelden, mits deze regels voor dit soort vorderingen niet ongunstiger zijn dan voor soortge-lijke nationale vorderingen en zij het in de praktijk niet onmogelijk maken om het aan het gemeenschapsrecht ontleende recht uit te oefenen. 11. De Rechtbank heeft - als vermeld - geoordeeld dat [eise-res]s primaire vordering over de periode van 1 september 1980 tot 15 oktober 1987 is verjaard omdat de verplichting van Innovam om [eiseres] aan te sluiten bij een pensioenregeling "zich vertaalt" in een verplichting tot betaling van premies waarop de verjaringstermijn van vijf jaar van art. 2012 BW (oud) en art. 308 BW van toepassing is (rechtsoverweging 6.9). Dit oordeel wordt in cassatie bestreden. Zoals gezegd, wordt in de lagere jurisprudentie verschil-lend over de verjaringskwestie gedacht. Zie voor een gelijke beslissing als die van de Rechtbank: Rechtbank Alkmaar 26 september 1996, Pensioen Jurisprudentie 1996, 79; Kantonrech-ter Utrecht 21 september 1995, Pensioen Jurisprudentie 1995, 42; Kantonrechter Utrecht 1 november 1995 (in zijn subsidiaire oordeel), Pensioen Jurisprudentie 1995, 64, JAR 1995, 244 en Kantonrechter Utrecht 22 mei 1996, Pensioen Jurisprudentie 1996, 70. Rechtbank Utrecht 19 maart 1997, Pensioen Jurisprudentie 1997, 22 achtte naar oud recht de verjaringstermijn van 30 jaar van toepassing. Kantonrechter Rotterdam 15 september 1995, Pensioen Jurisprudentie 1995, 43, JAR 1995, 205 en Kantonrechter Utrecht Volgens de relevante pen-sioenreglementen van Innovam vanaf 1982 (het reglement van 1978 is op dit punt onduidelijk) is in de pensioenregeling opgenomen "de werknemer die [op de ingangsdatum van de pen-sioenregeling] aan de gestelde opnemingsvereisten voldoet". Tot de opnemingsvereisten behoort steeds dat het moet gaan om werknemers "met een volledige dagtaak". Laat men deze zinsne-de, als strijdig met het gemeenschapsrecht, buiten toepassing, dan had [eiseres] direct (met ingang van 1 september 1980) rechten aan het pensioenreglement kunnen ontlenen en zou op Innovam, met ingang van genoemde datum, de verplichting hebben gerust premies voor [eiseres] te betalen. Men kan hier een analogie zien met gevallen van betaling van ongelijk loon: de vordering van de gediscrimineerde werknemer tot betaling van het verschil wordt beschouwd als een loonvordering en niet als een vordering het verschil in beloning anderszins ongedaan te maken. Zie, mede in verband met de afwijkende verjaringster-mijn van art. 11 Wet gelijke behandeling, losbladige Arbeids-overeenkomst, aant. op art. 11 Wet gelijke behandeling (A.M. Gerritsen). Voor deze opvatting pleit ook dat de werknemer volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie zijn rechten uit art. 119 direct tegen de beheerders van de pensioenrege-ling kan laten gelden; zie de uitspraak van 24 oktober 1996 (Dietz; C-435/93; Jur. 1996 I-5223). Of dit laatste ook voor pensioenverzekeraars geldt (in casu voorziet het pensioenre-glement in verzekering van de pensioenaanspraken via een pensioenverzekeraar), is echter onzeker; zie P.M. Tulfer, Pensioenen, fondsen en verzekeraars, 1997, p. 123-124. Tegen de opvatting dat [eiseres] reeds per 1 september 1980 als deelnemer in de pensioenregeling moet worden be-schouwd pleit echter met name dat aan de opbouw van aanvullend pensioen een (door de werknemer geaccepteerde) pensioentoezeg-ging ten grondslag moet liggen, terwijl bovendien afspraken met de pensioenverzekeraar gemaakt moeten zijn ingeval het - zoals in casu - gaat om een bij een pensioenverzekeraar verze-kerd pensioen. (Zie E. Lutjens, Pensioenvoorzieningen voor werknemers, 1989, p. 126 e.v.; P.M. Tulfer, Pensioenen, fond-sen en verzekeraars, 1997, p. 70 e.v.; zie ook Ph.H.J.G. van Huizen, WPNR 6010 (1991), p. 421-427, i.h.b. p. 426.) Pen-sioenrechten kunnen - anders dan het recht op toekenning van pensioenrechten - naar mijn oordeel dan ook niet op de hier-voor geschetste wijze uit art. 119 EG-verdrag ontstaan. Het deelnemerschap van [eiseres] per 1 september 1980 zou ook een fictie zijn; dit blijkt reeds uit de omstandigheid dat de opbouw van pensioenrechten (ook over de periode vanaf 1987) niet plaatsvindt door het alsnog betalen van de periodieke premie, doch door het betalen van een inkoopsom. (Zie P.M. Tulfer, Pensioenen, fondsen en verzekeraars, 1997, p. 198-199, met verwijzingen.) Ook de Rechtbank lijkt hiervan te zijn uitgegaan; haar overweging dat [eiseres] "met terugwerkende kracht" "thans nog" aansluiting kan eisen en de door haar uitgesproken veroordeling (van Innovam) tot het betalen van een inkoopsom zijn niet verenigbaar met de opvatting dat [eiseres] krachtens art. 119 EG-Verdrag reeds per 1 september 1980 als deelnemer in de pensioenregeling wordt beschouwd en met het oordeel dat de verplichting tot aansluiting "zich vertaalt" in een verplichting tot het periodiek betalen van premie. Op grond van het zojuist betoogde kom ik dan ook tot de conclusie dat de verplichting tot aansluiting zich - anders dan de Rechtbank aannam - niet "vertaalt" in een verplichting tot het periodiek betalen van premie. Van verjaring op grond van art. 2012 BW kan derhalve reeds daarom geen sprake zijn. Het vonnis van de Rechtbank kan dan ook niet in stand blijven. 16. Al zou het gewraakte oordeel van de Rechtbank (het oor-deel omtrent - kort gezegd - "het zich vertalen") juist zijn, dan nog kan het bestreden vonnis niet in stand blijven. On-derdeel 4 betoogt - in verband met onderdeel 3 - namelijk met re 2004 BW (oud) van toepassing die, zoals de Rechtbank in rechtsoverweging 5.7 heeft overwogen, tijdig is gestuit. Resteert het verweer van Innovam dat art. 119 EG-Verdrag en art. 75 Overgangswet zich verzetten tegen toepassing van de termijn van dertig jaar. Aan de behandeling van dit verweer kwam de Rechtbank niet toe omdat zij de dertigjarige termijn niet van toepassing achtte. Aan de stelling dat art. 119 EG-Verdrag en art. 75 Overgangswet zich tegen toepassing van de dertigjarige termijn verzetten heeft Innovam ten grondslag gelegd dat toepassing van de termijn van 30 jaar tot gevolg zou hebben dat [eiseres] in een betere positie zou geraken dan haar mannelijke collega's die alle jaren werknemerspremies hebben betaald omdat de rechtsvordering tot betaling van de werknemerspremies reeds na vijf jaar verjaart, en dat "de lasten van opname van [eiseres] in de pensioenregeling prak-tisch eenzijdig bij Innovam komen te liggen." De Rechtbank overwoog echter - in overeenstemming met het gemeenschapsrecht (zie nr. 10) en in cassatie onbestreden - dat [eiseres] zich niet kan onttrekken aan betaling van de op de betrokken perio-de van aansluiting betrekking hebbende premie; [eiseres] vorderde - gezien haar gewijzigde vordering - ook slechts pensioenopbouw uitsluitend op basis van werkgeverspremies en de Rechtbank heeft die vordering toegewezen, zij het met een beperking in de tijd. Reeds daarom gaat Innovams beroep op het buiten toepassing laten van de dertigjarige, in casu tijdig gestuite, termijn niet op, wat daarvan overigens zij en in het bijzonder daargelaten of dit beroep zich verdraagt met het gemeenschapsrecht. Nu vaststaat dat Innovams beroep op verjaring moet worden verworpen, kan Uw Raad naar mijn oordeel de zaak zelf afdoen. Uit de bij brief van 3 juli 1997 aan de Rechtbank overgelegde brief van de verzekeringsmaatschappij van 20 juni 1997 blijkt dat het mogelijk is [eiseres] - conform hetgeen zij primair vorderde - tegen betaling van een inkoopsom op basis van uitsluitend het werkgeversdeel van de premies alsnog de pensi-oenrechten toe te kennen die zij had behoren op te bouwen. Voor toewijzing van de primaire vordering is het naar mijn oordeel niet nodig inlichtingen in te winnen over de hoogte van de inkoopsom; partijen kunnen zich daarover zelf met de verzekeraar verstaan. Het vonnis van de Rechtbank behoeft slechts te worden vernietigd voorzover de door de Rechtbank uitgesproken veroordeling in de tijd is beperkt tot 15 oktober 1987 terwijl ook de kostenveroordeling niet in stand kan blijven; Innovam moet worden veroordeeld om [eiseres] alsnog met ingang van 1 september 1980 op te nemen in haar onderne-mingspensioenregeling en in verband daarmee alsnog voor haar rekening te nemen de daarmee verband houdende inkoopsom welke uitsluitend op basis van de werkgeverspremies moet worden berekend. De overige middelonderdelen 18. De overige onderdelen van het middel behoeven geen be-spreking. Evenmin bestaat aanleiding om, zoals de schriftelij-ke toelichting bepleit, uitgebreid in te gaan op de vraag naar de verjaring onder het huidige recht. Uit het voorgaande volgt dat art. 3:308 op een vordering als die van [eiseres] niet van toepassing is. Naar mijn oordeel strekt [eiseres]s vordering om haar ([eiseres]) alsnog, met terugwerkende kracht, op te nemen in de pensioenregeling, tot een doen, voortvloeiend uit de tussen haar en Innovam bestaande arbeidsovereenkomst. De verjaring wordt derhalve beheerst door art. 3:307, lid 1. Op de vordering tot herstel van of tot schadevergoeding wegens niet-nakoming zijn dan de art. 3:311, 3:310 en 3:312 van toepassing. Indien Innovam wegens schending van de in art. 119 EG-verdrag neergelegde verplichtingen ook aansprakelijk zou zijn uit onrechtmatige daad, geldt art. 3:310. Voorzover toepassing van de genoemde bepalingen tot gevolg zou hebben dat een deel van de vordering van [eiseres] is verjaard, rijst de vraag of het gemeenschapsrecht zich, in het licht van de uitspraken van het Hof van J