Rechtspraak Hoge Raad 1999-12-01
ECLI:NL:HR:1999:AA3384
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V., voorheen B B.V. (hierna: belanghebbende) te Z tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 april 1997 betreffende de afwijzende beslissing van het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije beroepen (hierna: het Bestuur) op het door belanghebbende gedane verzoek om hernieuwde premievaststelling en premierestitutie over de jaren vanaf 1979. 1. Beslissing van het Bestuur en geding voor de Arrondissementsrechtbank Bij beslissing van 28 augustus 1990 heeft het Bestuur aan belanghebbende kennis gegeven van zijn beslissing niet over te gaan tot herziening van de premievaststelling over de jaren vanaf 1979 en geen premierestitutie te verlenen. Het tegen deze beslissing ingestelde beroep is door de Arrondissementsrechtbank te Groningen bij uitspraak van 31 mei 1995 ongegrond verklaard. 2. Geding voor de Centrale Raad van Beroep Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. De Centrale Raad van Beroep heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van de Raad is aan dit arrest gehecht. 3. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), dat in de plaats is getreden van de bedrijfsvereniging, heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. De Advocaat-Generaal Ilsink heeft op 7 september 1998 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep en tot verwijzing naar die Raad. 4. Beoordeling van de middelen 4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende pleegt sinds 1979 de gehele over het loon van haar werknemers verschuldigde ziekenfondspremie voor haar rekening te nemen. Het deel van de premie dat volgens de Ziekenfondswet op het loon van haar werknemers kan worden ingehouden, houdt zij niet in. Bovendien neemt zij sinds 1989 de nominale ziekenfondspremie voor haar rekening. Het niet ingehouden deel van de ziekenfondspremie (alsmede de ten behoeve van de werknemers betaalde nominale premiebedragen) zijn door het bestuur van de bedrijfsvereniging tot het loon in de zin van de artikelen 4 en 6 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) gerekend. Bij brief van 8 september 1989 heeft belanghebbende het Bestuur verzocht de premie werknemersverzekeringen vanaf het jaar 1979 opnieuw, lager, vast te stellen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het voordeel dat haar werknemers hebben genoten door het achterwege blijven van inhouding van het werknemersdeel van de ziekenfondspremie niet behoort tot het loon in de zin van artikel 4 en 6 CSV. Het Bestuur heeft dit verzoek afgewezen. Het geding betreft het niet herzien van de premievaststelling over de jaren 1979 tot 1990. 4.2. Het gaat in deze zaak om de vraag of een werkgever door het werknemersdeel van de premie ingevolge de Ziekenfondswet niet op het loon in te houden, zijn werknemers een voordeel doet toekomen dat behoort tot het loon in de zin van de artikelen 4 en 6 CSV. Dat in die situatie sprake is van een voordeel voor de werknemers is zonder meer duidelijk. De werkgever behoeft immers het werknemersdeel van de premie niet voor eigen rekening te nemen. Doet hij dat wel, door het werknemersdeel niet in te houden, dan is dat een voordeel voor de werknemers. In de cassatiemiddelen wordt dit ook niet bestreden, maar wordt op uiteenlopende gronden betoogd dat dit voordeel niet behoort tot het loon in de zin van de artikelen 4 en 6 CSV. 4.3. Het eerste middel komt, samengevat, erop neer dat de aanspraak ingevolge de Ziekenfondswet niet kan worden gesplitst in een (onbelast) werkgeversdeel en een (belast) werknemersdeel, maar in zijn geheel één aanspraak vormt, die op grond van artikel 6, lid 1, letter b, CSV (in de voor de onderhavige