Rechtspraak Hoge Raad 1999-11-03
ECLI:NL:HR:1999:AA2935
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 12 mei 1998 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1994 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 148.613,-- , welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en heeft de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van f 94.375,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende, piloot, is in 1990 in het buitenland aangeworven om in dienst te treden van een binnenlandse werkgever. De werkgever weigerde aanvankelijk mee te werken aan het indienen van een verzoek om toepassing van de Resolutie van 4 juni 1992, nr. DB92/922, BNB 1992/284 (de 35%-regeling). In juni 1994 heeft de werkgever schriftelijk verklaard dat belanghebbende voldoet aan de in 2 onder b van de Resolutie vermelde criteria en daarbij tevens te kennen gegeven dat belanghebbende op grond van de op hem van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst geen aanspraak kon maken op een vergoeding als bedoeld in 3.1 van de Resolutie. Deze verklaring, gevoegd bij een alleen door hemzelf ondertekend aanvraagformulier, heeft belanghebbende aan de Inspecteur gezonden. Daarop heeft deze bij brief van 30 september 1994 aan belanghebbende meegedeeld dat hij voor de periode van 1 juni 1994 tot en met 31 juli 1998 in aanmerking komt voor de 35%-vergoedingsregeling als bedoeld in de Resolutie. De werkgever heeft in 1994 op belanghebbendes gehele salaris loonbelasting en premie volksverzekeringen ingehouden. 3.2 Voor het Hof heeft belanghebbende aangevoerd dat hem op grond van het gelijkheidsbeginsel een aftrek toekomt van 35% van zijn salaris, omdat de Inspecteur ermee heeft ingestemd dat 35% van het salaris van een aantal andere buitenlandse piloten, die door belanghebbendes werkgever eveneens werden beloond op grond van de in 3.1 vermelde collectieve arbeidsovereenkomst en met wie derhalve evenmin een aparte vergoeding als bedoeld in 3.1 van de Resolutie was overeengekomen, zonder inhouding van loonbelasting en premie volksverzekeringen kon worden uitgekeerd. Het Hof heeft – in cassatie onbestreden – geoordeeld dat de Inspecteur ten aanzien van die piloten, naast het in de Resolutie gepubliceerde beleid, het beleid voerde dat na “toekenning van de regeling” (als bedoeld in de Resolutie) een bijzondere aftrek van 35% van het overeengekomen salaris kon worden toegepast en dat het gelijkheidsbeginsel meebrengt dat ook aan belanghebbende met ingang van 1 juni 1994 deze aftrek moet worden verleend. 3.3 Het Hof heeft voorts geoordeeld dat belanghebbende op grond van het gelijkheidsbeginsel ook voor de periode van 1 januari 1994 tot 1 juni 1994 recht heeft op deze aftrek, hoewel hij, anders dan de in 3.2 vermelde buitenlandse piloten, voorafgaande aan die periode geen aanvraag om toekenning van de regeling had ingediend, zodat de toekenning hem voor die periode ook niet was verleend. Het middel bestrijdt dit oordeel terecht. Nu de Inspecteur naar ’s Hofs vaststelling het in 3.2 bedoelde beleid alleen toepaste ingeval zijns inziens op grond van de in de aanvraag verstrekte gegevens aan de in de Resolutie aan toepassing van de regeling gestelde voorwaarden, afgezien van de voorwaarde dat aan de werknemer een af