Rechtspraak Hoge Raad 1999-09-29
ECLI:NL:HR:1999:AA2901
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 20 april 1998 betreffende na te melden aan hem opgelegde aanslag bouwgrondbelasting van de gemeente Gennep. 1. Aanslag en bezwaar Aan belanghebbende is, als genothebbende krachtens zakelijk recht van de onroerende zaak b-straat 1 te Z (gemeente Gennep) een aanslag bouwgrondbelasting van de gemeente Gennep opgelegd ten bedrage van f 34.578,--. De aanslag is na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het Hoofd van de afdeling Financiën van de gemeente Gennep (hierna: het Hoofd), verminderd tot een aanslag ten bedrage van f 5.153,-- voor het jaar 1986. 2. Tot verwijzing leidend geding Belanghebbende is van de uitspraak van het Hoofd in beroep gekomen bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. De uitspraak van dit hof van 9 november 1993 is op het beroep van het Hoofd van de Hoofdafdeling Middelen van de gemeente Gennep bij arrest van de Hoge Raad van 28 juni 1995, nr. 30185, BNB 1995/270, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dat arrest. 3. Geding na verwijzing Het Gerechtshof te Arnhem heeft de uitspraak van het Hoofd bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 4. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het Hoofd van de Hoofdafdeling Middelen heeft een vertoogschrift ingediend. 5. Beoordeling van de klachten 5.1. Het cassatieberoep van belanghebbende richt zich in de eerste plaats tegen het door het Hof in onderdeel 5, punt VI gegeven oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat de voorzieningen die zijn getroffen onder naar doelstelling en plangebied met het bestemmingsplan A overeenstemmende bestemmingsplannen een geringe samenhang vertonen als bedoeld in r.o. 3.6 van het verwijzingsarrest van de Hoge Raad. Dit oordeel, dat kennelijk zo moet worden begrepen dat belanghebbende niet zodanige feiten en omstandigheden heeft gesteld, dat daaruit kan volgen dat evenbedoelde samenhang ontbreekt, geeft echter niet blijk van miskenning van de in het verwijzingsarrest geformuleerde maatstaf en kan voor het overige als van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden onderzocht. Het is ook niet onbegrijpelijk. Deze klachten falen derhalve. 5.2. Uitgaande van het onder 5.1 besproken oordeel dat het in het verwijzingsarrest onder 3.6 bedoelde geval zich niet voordeed, heeft het Hof in verband met hetgeen overigens in het verwijzingsarrest is overwogen zonder schending van enige rechtstregel kunnen oordelen, zoals het kennelijk heeft gedaan, dat de onderhavige Verordening van 2 december 1985 strekte tot verhaal van de totale kosten van de – een voldoende samenhang vertonende- voorzieningen die werden of waren getroffen met het oog op de verwezenlijking van de doelstelling van zowel het op 3 oktober 1983 vastgestelde bestemmingsplan A als de onderscheidenlijk uit 1967 en 1976 daterende en naar doelstelling en plangebied overeenstemmende plannen B en D. Aan deze strekking doet, naar het Hof evenzeer terecht heeft geoordeeld, niet af dat in de bij raadsbesluit van 17 november 1987 gewijzigde Verordening het verhaal van die kosten is beperkt tot de kosten die blijkens een splitsing op kasbasis na 3 oktober 1983 zijn betaald. 5.3. In de onder I en IV/V weergegeven klachten herhaalt belanghebbende zijn betoog dat de Verordening niet is vastgesteld binnen de in artikel 274, tweede lid, van de gemeentewet (oud) bedoelde termijn van een jaar nadat de voorzieningen geheel zijn voltooid. De klachten falen in zoverre. Bij de beoordeling van dit betoog moet worden uitgegaan van de hiervoor onder 5.1 en 5.2 besproken oordelen van het Hof. Bij het bestaan van de daarin bedoelde samenhang tussen de getroffen voorzieningen vangt de genoemde termijn aan op het ti