Rechtspraak Hoge Raad 1999-04-28
ECLI:NL:HR:1999:AA2747
gewezen op het beroep in cassatie van Woningstichting X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's- Gravenhage van 19 december 1997 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1994 tot en met 31 december 1994 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 1.192.196,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. 3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. Belanghebbende, een instelling welke is toegelaten om op de voet van de Woningwet werkzaam te zijn in het belang van de volkshuisvesting, en welke als zodanig ondernemer is in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet), houdt zich bezig met het beheer en de exploitatie van woningen. Deze exploitatie omvat diverse administratieve werkzaamheden ten behoeve van de verhuur. Voorts verricht belanghebbende technische werkzaamheden die verband houden met onder meer renovatie en onderhoud van de verhuurde panden. Ultimo 1994 bedroeg het aantal door belanghebbende te verhuren woningen 5.595. 3.1.2. Op 30 december 1994 richtte belanghebbende de Woningstichting A (hierna: A) op. Op dezelfde datum vestigde zij ter uitvoering van een daartoe met A gesloten overeenkomst voor de duur van tien jaren het recht van erfpacht op 163 gerealiseerde of nog in aanbouw zijnde woningen, verdeeld over drie complexen. 3.1.3. De canon bedraagt ƒ 1.083.440,-- per jaar. Evengenoemde registergoederen worden (en mogen ook slechts worden) aangewend voor de verhuur van woonruimte overeenkomstig de normen van belanghebbende bij de verhuur van soortgelijke woonruimte. Behoudens 56 woningen zijn al deze woningen in de loop van 1993 en 1994 op basis van evenzovele daartoe afgesloten huurcontracten overeenkomstig de bestemming in gebruik genomen. Voor alle in een tijdvak van aangifte voor de verhuur in gebruik genomen woningen heeft belanghebbende de ingevolge artikel 3, lid 1, letter h, van de Wet verschuldigde omzetbelasting berekend en begrepen in de aangifte over het desbetreffende tijdvak. 3.1.4. Ter zake van de vestiging van het recht van erfpacht heeft belanghebbende op de voet van artikel 3, lid 2, van de Wet (tekst tot 31 maart 1995, 18.00 uur) ƒ 1.412.536,-- aan omzetbelasting op aangifte voldaan. 3.1.5. Als gevolg van de vestiging van het recht van erfpacht is A getreden in alle rechten en verplichtingen voortkomende uit de bestaande huurovereenkomsten ter zake van de desbetreffende woningen. Belanghebbende is voorts door A gemachtigd de verschuldigde huurpenningen in ontvangst te nemen. Per kwartaal wordt de aldus geïnde huur aan A afgedragen. Belanghebbende en A hebben op 16 januari 1995 een zogenoemde beheer-overeenkomst gesloten ingevolge welke overeenkomst belanghebbende onder meer tegen vergoeding ten behoeve van A administratieve en uitvoerende werk-zaamheden in verband met de verhuur van de woningen verricht. Ook verricht belanghebbende op grond van deze overeenkomst technische werkzaamheden, waaronder begrepen renovatie, incidenteel en planmatig onderhoud en toezicht op de uitvoering van door derden te verrichten werkzaamheden. 3.1.6. De Inspecteur heeft, zich op het standpunt stellende dat belanghebbende ten onrechte in verband met de levering als bedoeld in artikel 3, lid 2, van de Wet een bedrag van ƒ 1.181.206,-- als zogenoemde herzieningsbelasting in mindering heeft gebracht, dit bedra