Rechtspraak Hoge Raad 1999-04-28
ECLI:NL:HR:1999:AA2744
gewezen op het beroep in cassatie van de vereniging X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 juni 1997 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 juli 1993 tot en met 30 mei 1995 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 1.632.033,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr M. Mees, advocaat te Amsterdam. 3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende, een krachtens artikel 70 van de Woningwet toegelaten instelling, exploiteert als woningbouwvereniging onroerende zaken. Zij is ten behoeve van de exploitatie van registergoederen met de op 20 maart 1995 opgerichte stichting A (hierna: de stichting) per dezelfde datum een commanditaire vennootschap aangegaan (hierna: de c.v.), waarvan belanghebbende commanditair vennoot is en de stichting beherend vennoot. Belanghebbende heeft op 20 maart 1995 ten behoeve van de stichting gevestigd en aldus in de c.v. per dezelfde datum doen inbrengen een recht van vruchtgebruik voor tien jaren van een zestal nieuwbouwcomplexen, hoofdzakelijk bestaande uit woningen (hierna: de complexen). De stichting kan slechts met medewerking van belanghebbende onroerende zaken huren, verkrijgen en vervreemden, persoonlijke en zakelijke zekerheid stellen en rechtshandelingen aangaan, waarvan het belang het bedrag van f 100.000,-- te boven gaat. Aan haar zijn een verbod tot nevenwerkzaamheden, een verbod tot uitbreiding van haar aansprakelijkheid en een verbod tot overdracht van haar aandeel in de c.v. opgelegd. Van de winst komt aan de beherend vennoot f 650,-- per woning ten goede, daarna aan beide vennoten een rentevergoeding, en eventuele resterende winst wordt door de vennoten gelijkelijk genoten. Bij overeenkomst van 23 juni 1995, welke met terugwerkende kracht per 20 maart 1995 in werking is getreden, hebben belanghebbende en de stichting met elkaar afgesproken dat belanghebbende alle werkzaamheden zal verrichten, die nodig zijn voor het beheer van de complexen tegen een jaarlijks bedrag van f 551,-- per woning. De huurders werden van de gang van zaken in kennis gesteld. Aan de toeleveranciers werd verzocht voortaan te factureren aan en te corresponderen met de c.v., terwijl werd duidelijk gemaakt dat belanghebbende ten behoeve van de stichting alle werkzaamheden verricht, die nodig zijn voor het beheer van de complexen. Belanghebbende heeft ter zake van de vestiging van het recht van vruchtgebruik op de voet van artikel 11, lid 1, aanhef en onderdeel a, aanhef en onder 1, in samenhang met artikel 3, lid 2, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst tot 31 maart 1995, 18.00 uur; hierna: de Wet) aan de c.v. omzetbelasting in rekening gebracht, welke zij op aangifte heeft voldaan. De op de bouw van de complexen betrekking hebbende omzetbelasting heeft belanghebbende volledig in aftrek gebracht. De Inspecteur heeft, zich op het standpunt stellende dat het geheel van handelingen met betrekking tot de complexen geen wijziging heeft gebracht in de oorspronkelijk tussen partijen bestaande verhoudingen en in de zeggenschap over de woningen en dat daarom de vestiging van het vruchtgebruik moet worden genegeerd, op de voet van artikel 3, lid 1, aanhef en onderdeel h, van de Wet de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd. 3.2.1. Het Hof heeft aa