Rechtspraak Hoge Raad 1999-03-10
ECLI:NL:HR:1999:AA2715
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 7 november 1997 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is met dagtekening 16 november 1994 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen opgelegd ten bedrage van f 5.210,-- aan enkelvoudige belasting en f 1.302,-- aan verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspaak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. 3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. Belanghebbende is als vertegenwoordiger in loondienst werkzaam bij een in Duitsland gevestigde werkgever. Deze heeft aan belanghebbende voor het verrichten van zijn werkzaamheden een, hier te lande niet geregistreerde, van een Duits kenteken voorziene personenauto (hierna: de auto) ter beschikking gesteld. Belanghebbende, die de auto behalve voor werkzaam- heden in België, Duitsland en Frankrijk mede voor woon- werkverkeer gebruikt, heeft niet op de voet van het bepaalde in artikel 14 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna de Wet) jo. de artikelen 2, 3 en 4 van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 verzocht om vrijstelling van belasting. 3.1.2. Op 9 juli 1994 is door ambtenaren van de douane vastgesteld dat met de auto in Nederland gebruik van de weg is gemaakt. De Inspecteur heeft vervolgens, met toepassing van het bepaalde in artikel 1, lid 4, jo. artikel 5, lid 2, van de Wet, de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. 3.2.1. Belanghebbende heeft zich voor het Hof in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat de heffing van belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: bpm) in een geval als het onderhavige in strijd is met artikel 95 van het EG-Verdrag, aangezien van de heffing van bpm een belemmerende werking uitgaat ten aanzien van uit andere Lid-Staten betrokken, gebruikte auto's, doordat voor dergelijke auto's de geheven belasting hoger kan zijn dan het in de resterende waarde van de in Nederland geproduceerde of uit andere Lid- Staten betrokken, nieuwe auto's begrepen bedrag aan belasting. Belanghebbende heeft daartoe aangevoerd: dat de Wet per 1 januari 1993 in werking is getreden en er derhalve op vóór die datum geproduceerde of uit andere Lid-Staten betrokken auto's geen bpm drukt, zij het dat in de waarde van die auto's wel een restantbedrag aan bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's (hierna: bvp) kan zijn begrepen; dat daardoor een verschil is ontstaan ten nadele van na 1 januari 1993 uit andere Lid-Staten betrokken, gebruikte auto's; dat voorts de in artikel 10, lid 1, van de Wet vervatte regeling een belemmerende werking heeft op de "invoer" van gebruikte auto's. 3.2.2. Belanghebbende heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de heffing van bpm in een geval als het onderhavige in strijd is met artikel 3 van de Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsprodukten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop. 3.2.3. Belanghebbende heeft ten slotte het standpunt ingenomen dat de Inspecteur ten onrechte een verhoging heeft opgelegd. 3.3. Ten aanzien van belanghebbendes hiervóór in 3.2.1 vermelde standpunt heeft het Hof in de eerste plaats geoordeeld: dat belanghebbende niet gesteld of aannemelijk heeft gemaakt dat de resterende druk van bvp op vóór 1 janu