Rechtspraak Hoge Raad 1999-02-10
ECLI:NL:HR:1999:AA2668
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 augustus 1997 betreffende de hem voor het jaar 1992 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 118.330,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend. 3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Gedurende het onderhavige jaar, 1992, verbleef belanghebbende enige maanden in de stad Q (Verenigde Staten) om aan de A-school onderwijs te geven. Belanghebbende heeft bij zijn aangifte inkomstenbelasting voor het onderhavige jaar $ 13.125,-- (90 dagen maal $ 125,-- en 30 dagen maal $ 62,50) als aftrekbare kosten voor verblijf in mindering gebracht. De Inspecteur heeft de aftrek beperkt tot $ 10.290,-- (90 dagen maal $ 98,-- en 30 dagen maal $ 49,--), overeenkomstig de Resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 9 oktober 1992, BNB 1992/376 (hierna: de Resolutie). De door de Inspecteur gehanteerde bedragen zijn, zoals in de Resolutie voorgeschreven, afkomstig uit de door de Minister van Binnenlandse Zaken vastgestelde Tarieflijst, opgenomen in de bij het Reisbesluit 1971 behorende Reisbeschikking buitenland. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken ontleent deze bedragen aan de tarieven welke de Verenigde Naties hanteert voor verblijfsvergoedingen van haar functionarissen. 3.2. Belanghebbende heeft voor het Hof betoogd dat voor een aantal grote steden in de Verenigde Staten, waaronder Q, de toepassing van het algemeen geldende dagtarief een onredelijke en onbillijke uitkomst tot gevolg heeft in vergelijking met de voor enkele andere grote steden afzonderlijk vastgestelde tarieven. Hiermee heeft belanghebbende klaarblijkelijk mede een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan. De klacht dat het Hof zich omtrent dit betoog, dat in cassatie wordt herhaald, niet heeft uitgesproken, is gegrond. 3.3. Het betoog van belanghebbende komt erop neer dat de regeling niet verfijnd genoeg is, omdat weliswaar rekening is gehouden met de omstandigheid dat verblijfkosten in de Verenigde Staten in bepaalde grote steden aanzienlijk hoger zijn dan daarbuiten en in die grote steden onderling verschillen, maar dat voor andere grote steden, zoals Q, waar volgens belanghebbende ook sprake is van hogere verblijfkosten, geen afzonderlijk tarief is vastgesteld. 3.4. Het gaat hier om een reeds uit de jaren zestig stammende regeling, die aanvankelijk slechts gold voor wetenschappelijke onderzoekers die tijdelijk in het buitenland research verrichten, en later is uitgebreid tot onder meer personen in de situatie van belanghebbende. De regeling was en is kennelijk bedoeld om tegemoet te komen aan de problemen van bewijs rechtelijke aard waarvoor belastingplichtigen zich zien gesteld bij het aantonen van extra uitgaven voor levensonderhoud tijdens verblijf in het buitenland. Deze regeling laat uiteraard het wettelijke recht op aftrek van de werkelijke extra-uitgaven onverlet. Deze bewijsrechtelijke aard van de regeling rechtvaardigde onder de tot 1990 geldende wettelijke bepalingen van de inkomstenbelasting zonder meer dat werd aangesloten bij de gegevens over verblijfkosten in het buitenland die bekend zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken. De onvermijdelijke onvolledigheid van die gegevens werd immers opgevangen door de steeds aanw