Rechtspraak Hoge Raad 1998-03-06
ECLI:NL:HR:1998:ZC2607
6 maart 1998 Eerste Kamer Nr. 16.561 (C97/040 HR) AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr E. Grabandt, tegen 1. de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging VERENIGING BUMA, 2. de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting STICHTING STEMRA, beide gevestigd te Amstelveen, VERWEERSTERS in cassatie, advocaat: Jhr mr J.L.R.A. Huydecoper. 1. Het geding in feitelijke instanties Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 9 september 1993 verweersters in cassatie - verder te noemen: BUMA en STEMRA - op verkorte termijn gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd BUMA en/of STEMRA te veroordelen om aan [eiser] te vergoeden de door hem geleden c.q. nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van deze dagvaarding. BUMA en STEMRA hebben de vordering bestreden. De Rechtbank heeft bij vonnis van 16 november 1994 de vordering afgewezen. Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest van 17 oktober 1996 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. BUMA en STEMRA hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het Gerechtshof te Amsterdam en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) [eiser] is de auteur van de tekst van het lied "Waarheen, waarvoor", dat eind 1970/begin 1971 op grammofoonplaat is verschenen in een uitvoering door de zangeres Mieke Telkamp. (ii) [eiser] is lid van BUMA en aangesloten bij STEMRA, die beide de belangen van [eiser] bij zijn auteursrecht dienen te behartigen door middel van het incasseren van gelden bij openbaarmaking en mechanische reproductie van werken van [eiser]. (iii) Op de relatie tussen partijen is het exploitatiereglement van BUMA respectievelijk dat van STEMRA van toepassing, waarvan artikel 3 als volgt luidt: "BUMA (STEMRA) heeft het recht, al dan niet op verzoek van de deelnemer, in bepaalde landen of in bepaalde gevallen de exploitatie en handhaving niet te verrichten of te doen verrichten. BUMA (STEMRA) zal dit aan de desbetreffende deelnemer tijdig en schriftelijk gemotiveerd mededelen, waarna deze het recht verkrijgt in bedoelde gevallen het muziekauteursrecht zelf te exploiteren en te handhaven of te doen exploiteren of handhaven." (iv) Voor het bij uitvaartplechtigheden ten gehore brengen van muziekwerken pleegt BUMA/STEMRA geen auteursrechtelijke vergoedingen te incasseren. (v) Naar [eiser] in deze procedure heeft gesteld, wordt het lied "Waarheen, waarvoor" in de uitvoering door Mieke Telkamp reeds gedurende een groot aantal jaren meermalen per dag bij uitvaartplechtigheden ten gehore gebracht. Ook daarvoor incasseert BUMA/STEMRA geen auteursrechtelijke vergoedingen. (vi) Vanaf zeker tijdstip - waaromtrent partijen van mening verschillen - hebben besprekingen plaatsgevonden tussen [eiser] en BUMA/STEMRA. Doel van deze besprekingen - waarbij [eiser] op enig moment een advocaat heeft ingeschakeld - was om BUMA/STEMRA ervan op de hoogte te brengen: (1º) dat [eiser] meende dat het lied "Waarheen, waarvoor" bij uitvaartplechtigheden zó veelvuldig ten gehore werd gebracht dat terzake auteursrechtelijke vergoedingen geheven konden worden, en (2°) dat [eiser] wenste dat deze ook metterdaad zouden worden geheven. (vii) Aan deze gesprekken tussen partijen is een einde gekomen door een brief van BUMA van 29 januari 1985 aan voo De stelling van [eiser] dat de brief daartoe niet kan dienen, omdat zij niet tijdig is verzonden aangezien het bewuste lied al veertien jaar op de markt was, berust op de misvatting dat een beroep op artikel 3 ten aanzien van een bepaald werk aan iedere vorm van exploitatie van dat werk vooraf zou moeten gaan. Zulks valt in redelijkheid uit genoemd artikel 3 niet af te leiden. Ook in het betoog dat de brief onduidelijk en ongemotiveerd is, kan het hof [eiser] niet volgen. Buma laat weten dat zij bewust, om haar moverende redenen van policy, de incasso van de auteursrechten bij uitvaartplechtigheden achterwege laat. Zij wijst er daarbij op dat zij die incasso op zichzelf wel mogelijk acht, maar dat zij het vooralsnog juister oordeelt om die incasso achterwege te laten. Aldus laat de brief aan duidelijkheid omtrent het standpunt van Buma niets te wensen over." 3.3 Onderdeel 3 van het middel keert zich tegen 's Hofs oordeel dat BUMA/STEMRA zich terecht op het standpunt stelt dat zij zich met de brief van 29 januari 1985 ten opzichte van [eiser] heeft beroepen op het voorbehoud van artikel 3 van het exploitatiereglement. Het betoogt dat dit oordeel onjuist althans onbegrijpelijk en niet naar de eis der wet met redenen omkleed is, omdat [eiser] ook in hoger beroep heeft aangevoerd dat hij niet heeft begrepen en ook niet heeft behoeven te begrijpen dat in de brief van 29 januari 1985 een (definitieve) mededeling in de zin van artikel 3 van het exploitatiereglement werd gedaan. Deze klacht faalt. Het Hof heeft voormelde stelling van [eiser] verworpen en geoordeeld dat de brief van 29 januari 1985 aan duidelijkheid omtrent het standpunt van BUMA niets te wensen overlaat. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting; het is ook niet onbegrijpelijk of ongenoegzaam gemotiveerd. 3.4 Onderdeel 5 betoogt dat de brief van 29 januari 1985 slechts namens BUMA is geschreven, zodat het Hof de vordering, voor zover tegen STEMRA gericht, niet - althans niet zonder nadere motivering - had mogen afwijzen. Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld. Het Hof is kennelijk - en gelet op de nauwe banden tussen beide organisaties begrijpelijk - ervan uitgegaan dat de brief van 29 januari 1985 mede namens STEMRA is geschreven. 3.5.1 De onderdelen 1, 2 en 4 van het middel keren zich alle tegen 's Hofs oordeel in rov. 4.11 dat de stelling van [eiser] dat BUMA/STEMRA in de brief van 29 januari 1985, nu het lied in 1985 al veertien jaar op de markt was, niet tijdig een beroep heeft gedaan op artikel 3 van hun exploitatiereglementen, berust op de misvatting dat een beroep op artikel 3 ten aanzien van een bepaald werk aan iedere exploitatie van dat werk zou moeten voorafgaan, en dat zulks in redelijkheid uit artikel 3 niet valt af te leiden. 3.5.2 Onderdeel 1 klaagt dat deze interpretatie van artikel 3 zonder nadere motivering niet begrijpelijk is, omdat deze bepaling mede ertoe strekt de auteur duidelijkheid te verschaffen dat BUMA/STEMRA in uitzonderlijke situaties afziet van exploitatie en handhaving van het auteursrecht, waarna de auteur het recht heeft zelf die exploitatie en handhaving ter hand te nemen; in dit licht is, aldus het onderdeel, niet begrijpelijk dat een beroep op artikel 3 niet voorafgaande aan de exploitatie dient te geschieden. Onderdeel 2 betoogt dat het Hof heeft miskend dat het bij de uitleg van artikel 3 aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Onderdeel 4 bouwt voort op onderdeel 1 en voert aan dat in ieder geval niet begrijpelijk is dat het Hof de vordering van [eiser] ook heeft afgewezen voor de periode van eind 1970/begin 1971 tot 29 januari 1985, althans tot het tijdstip waarop [eiser] met BUMA/STEMRA gesprekken is gaan voeren en een advocaat heeft ingeschakeld. 3.5.3 Deze klachten falen. Naar het Hof in rov. 4.13 heeft overwogen, is de strekking van artikel