Rechtspraak Hoge Raad 1998-12-16
ECLI:NL:HR:1998:AA2599
Bestuursrecht
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 19 juni 1997 betref fende de aan X te Z voor het jaar 1989 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting. 1. Aanslag en bezwaar Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 76.713,--, waarvan f 59.626,-- belast naar het tarief van artikel 57, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1989; hierna: de Wet). Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Arnhem. De uitspraak van dit Hof van 29 december 1994 is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 8 juli 1996, nr. 30962, BNB 1996/311, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Ge rechtshof te 's-Hertogenbosch (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dat arrest. Het Hof heeft de bestreden uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 67.573,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 3. Het tweede geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. 4.2. Tegen dit oordeel keert zich terecht het middel. Nu de ondergrond van de bedrijfsgebouwen, naar in hetgeen het Gerechtshof Arnhem feitelijk heeft vastgesteld, besloten ligt, in voorafgaande jaren feitelijk werd aangewend voor de uitoefening van belanghebbendes landbouwbedrijf, en de beëindiging van dat bedrijf meebrengt dat deze voortaan niet meer aldus zal worden aangewend, doch voor bewoning en hobby, moet deze grond worden aangemerkt als grond die, ook indien dit gebruik inhoudt dat nog planten worden geteeld of dieren worden gehouden, voor de toepassing van artikel 8, lid 1, letter b, van de Wet, buiten het kader van een landbouwbedrijf wordt aangewend. Een en ander leidt ertoe dat zich in het onderhavige geval ten aanzien van de ondergrond van de bedrijfsgebouwen een feitelijke verandering heeft voorgedaan, te weten de beëindiging van het bedrijf en de wijziging van de bestemming van de ondergrond van de bedrijfsgebouwen. Deze feitelijke verandering heeft te gelden als een omstandigheid dat de grond voortaan buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf zal worden aangewend, met welke omstandigheid de waardeverandering van bedoelde ondergrond verband houdt, als bedoeld in artikel 8, lid 1, letter b, van de Wet, ook al zou de mogelijkheid die ondergrond aldus te gebruiken reeds voorafgaand aan die feitelijke verandering zijn ontstaan. 4.3. Gelet op het hiervóór in 4.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. De waardeverandering van de ondergrond van de bedrijfsgebouwen dient te worden vastgesteld op het verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de waarde in het economische verkeer bij voortgezette agrarische bestemming. Alsdan is niet in geschil dat door belanghebbende in 1989 een waardeverandering is gerealiseerd van ten minste f 9.050,--, zodat de aanslag naar een belastbaar inkomen van f 76.713,-- niet te hoog is vastgesteld, en de uitspraak van de Inspecteur moet worden bevestigd. 5. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken zowel wat betreft het geding in cassatie als het geding voor het Hof. Dit arrest is op 16 december 1998 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Bellaart, De Moor, Van Brunschot en Van Vliet, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en in het openbaar uitgesproken.