Rechtspraak Hoge Raad 1998-08-26
ECLI:NL:HR:1998:AA2534
gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X Holding B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 27 maart 1997 betreffende de haar voor het jaar 1988 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1988 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 107.319,--, onder vermindering van de belasting met investeringsbijdragen ten bedrage van f 9.225,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft op 6 januari 1998 geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof, ter verdere behandeling en beslissing. 3. Beoordeling van 's Hofs uitspraak naar aanleiding van het middel van cassatie en ambtshalve 3.1. Voor de uitgangspunten in cassatie wordt verwezen naar punt 3.1 van het heden gewezen arrest in zaak nr. 33.263, welk arrest aan dit arrest is gehecht en welk punt van dit arrest deel uitmaakt. 3.2. Voor het Hof was in geschil of de aan belanghebbendes directeur bij zijn pensionering toegekende uitkering van f 155.000,-- voor belanghebbende een bedrijfslast vormt, dan wel als een (verkapte) dividenduitkering moet worden beschouwd. 3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur terecht het standpunt inneemt dat, nadat X vrijwillig met een vroegere pensionering had ingestemd, niet meer van een derving van inkomsten uit een (tegenwoordige) dienstbetrekking kon worden gesproken en dat het door belanghebbende bedoelde geval van een uitkering ter vervanging van een gederfde of te derven arbeidsbeloning zich dus te dezen niet heeft voorgedaan; dat belanghebbende tegenover de betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk maakt dat de Inspecteur voor X akkoord is gegaan met een normatieve arbeidsbeloning van f 150.000,-- en dat - anders dan in de notulen van de vergadering van aandeelhouders van 23 november 1988 staat vermeld - de omstreden uitkering is geschied om een gemis aan salaris in het verleden te compenseren; dat het Hof derhalve als juist aanvaardt de standpunten van de Inspecteur dat X de omstreden uitkering uitsluitend in zijn hoedanigheid van aandeelhouder heeft kunnen bedingen en dat de uitkering als een dividenduitkering moet worden beschouwd. 3.4. Op grond van hetgeen is opgemerkt in punt 11 van de conclusie van het Openbaar Ministerie is 's Hofs uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed. 3.5. 's Hofs arrest kan mitsdien niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld. Daarbij verdient opmerking dat na te melden vernietiging zich tevens uitstrekt tot de beslissing van het Hof omtrent de proceskosten, en dat derhalve de vraag of aan belanghebbende voor deze kosten een vergoeding dient te worden toegekend, door het verwijzingshof zal moeten worden beoordeeld. 5. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de uitspraak van het Hof; verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest; gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het 33.280, of voor de heffing ten laste van Holding van vennootschapsbelasting 1988 het bedrag van ƒ 155.000,- als een niet in mindering van de winst komende onttrekking aangemerkt behoort te worden (hierna ook te noemen geschilpunt 33.280). H. . Het Hof heeft in beide zaken de geschillen ten nadele van de betrokken belanghebbende beslecht. I. . De beroepschriften in cassatie zijn zonder motivering en voor het overige in overeenstemming met de desbetreffende voorschriften ingediend. Na tijdige aanvulling steunt het beroep in cassatie in de zaak nr. 33.263 op een middel van cassatie, dat met behulp van liggende streepjes enigszins is onderverdeeld en dat betrekking heeft op geschilpunt 33.263(1), en steunt het beroep in cassatie in de zaak nr. 33.280 op een middel van cassatie, dat uit twee, met Arabische cijfers genummerde, onderdelen bestaat. J. . De staatssecretaris van Financiën (hierna te noemen de Staatssecretaris) heeft bij vertoogschriften in cassatie de middelen bestreden. K. . Tot de stukken die door de griffier van het Hof ter griffie van Uw Raad zijn ingezonden, behoort in beide zaken een pleitnota. 1. . Deze pleitnota's zijn evenwel geheel gelijkluidend en dragen in beide dossiers het opschrift "(...) IB 1989 (...) Kenmerk Hof: 951688 (...)" 2. . Inhoudelijk gaan zij uitsluitend over geschilpunt 33.263(1). 3. . Aangezien de bestreden uitspraak in de zaak 33.280 de indruk wekt dat in die zaak een afzonderlijke pleitnota is overgelegd, is op mijn verzoek vanwege de griffier van Uw Raad telefonisch bij de griffier van het Hof informatie ingewonnen omtrent de mogelijkheid dat er twee verschillende pleitnota's overgelegd zouden zijn. 4. . De griffier van het Hof heeft, naar mij werd meegedeeld, dienaangaande niets kunnen vinden. 5. . Tot de stukken van het geding in de zaak nr. 33.280 behoort dus geen pleitnota, althans geen pleitnota die inhoudelijk iets met de zaak te maken heeft. II. . De strekking van deze conclusie. Aangezien ik met betrekking tot de geschilpunten 33.263(2) en 33.280 mijn zienswijze ter kennis van Uw Raad wil brengen, heb ik in beide zaken de wens, als bedoeld in art. 24, lid 1, Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, te kennen gegeven. Ik veroorloof mij in deze zaken één gemeenschappelijke conclusie te nemen, maar ik beperk mij, wat de zaak nr. 33.263 betreft, tot geschilpunt 33.263(2). Geschilpunt 33.263(1) laat ik buiten beschouwing. III. . De ontwikkeling van de rechtsstrijd in de zaak nr. 33.280. . De aanvulling van het beroepschrift hield in (ik nummer de bladen): "(blad 1) (...) Per 2 januari 1989 heeft [Holding] haar (...) deelnemingen (...) overgedragen. Door deze overdracht (...) wijzigde de situatie bij Holding (...) ingrijpend. Dit hield in dat er geen directiewerkzaamheden meer uit te oefenen waren door de directeur, [X], zodat deze op non-actief moest worden gesteld. [X] genoot een salaris ad ƒ 90.000 op jaarbasis; hetwelk hij bij voortzetting van het dienstverband zou genieten tot 65-jarige leeftijd. (blad 2) Het mag algemeen bekend zijn dat het geenszins ongebruikelijk is dat werknemers met een langdurig dienstverband in gevallen waarin van hun diensten geen gebruik meer kan worden gemaakt, terwijl zij op grond van hun leeftijd niet of nauwelijks geacht kunnen worden in staat te zijn een passende functie elders te verwerven, uitkeringen ontvangen ter vervanging van gederfde of te derven arbeidsbeloning uit dienstbetrekking. Gelet op de leeftijd, duur van de dienstbetrekking en het salaris van [X] is een schadeloosstelling van ƒ 155.000 in de gegeven omstandigheden niet ongebruikelijk of onredelijk te achten. Volgens de inspecteur bedraagt een geobjectiveerde normatieve arbeidsbeloning ƒ 150.000. [X] heeft jarenlang genoegen genomen met een veel lager salaris. De schadeloosstelling van ƒ 155.000 is tevens dit gemis aan salaris in het verleden te corrigeren . Deze schadeloosstelling wegens derving van toekomstige inkomsten danwel gederfde inkomsten als bedoeld in artikel 11 lid De voorzitter erkent dat hij nog moeite heeft alle consequenties van de overdracht te overzien, ondanks dat hij ervan overtuigd blijft dat het, met name voor zijn zoons de beste oplossing is. Als voorbeeld stelt hij dat dhr. F hem o.a. had meegedeeld dat de fiscus niet toestaat dat Holding (...) in de nieuwe hoedanigheid van "vermogensbeheer BV" hem een salaris van ca. f 100.000 te betalen, hetgeen hij voordien gewoon was . Door de overdracht mist hij tot zijn 65 ste een aanzienlijk deel aan inkomsten, terwijl hij toch vele jaren zich heeft ingezet voor de onderneming. Dhr. F vindt deze opmerking zeer terecht en merkt op dat het in dit soort situaties erg gebruikelijk is dat de werkgever i.c. Holding (...), de directeur schadeloos stelt wegens te derven inkomsten over de jaren tot zijn 65 ste. Op de vraag welk bedrag hiervoor redelijk zou zijn, stelt dhr. F dat op basis van het aantal dienstjaren en de te derven inkomsten voor de directeur, een bedrag van f. 155.000, zijnde de last voor Holding (...) in 1988, als redelijk voor beide partijen is te beschouwen. De voorzitter zegt dat dit, na aftrek van het hoge inkomstenbelastingtarief voor hem niet geweldig te vinden . Nadat echter dhr. F heeft uiteengezet dat bij een uitkering wegens schadeloosstelling voor te derven inkomsten over een aantal, toekomstige, jaren, het bijzonder tarief vlgs. art. 57 Wet IB van toepassing is, gaat de vergadering accoord met het voorgestelde bedrag van f. 155.000. (...)" IV. . De ontwikkeling van de rechtsstrijd over geschilpunt 33.263(2). A. . De aanvulling van het beroepschrift in de zaak nr. 33.263 hield in: "(blz. 14) (...) Door de overdracht per 2 januari 1989 door Holding (...) van haar (...) deelnemingen (...), wijzigde de situatie bij Holding (...) ingrijpend. Dit hield in dat er geen directiewerkzaamheden meer uit te oefenen waren door de directeur [X], zodat deze op non-actief moest worden gesteld. Het mag algemeen bekend zijn dat het geenszins ongebruikelijk is dat werknemers met een langdurig dienstverband in gevallen waarin van hun diensten geen gebruik meer kan worden gemaakt, terwijl zij op grond van hun leeftijd niet of nauwelijks geacht kunnen worden in staat te zijn een passende functie elders te verwerven, uitkeringen ontvangen ter vervanging van gederfde of te derven arbeidsbeloning uit dienstbetrekking. Gelet op de leeftijd, duur van de dienstbetrekking en het salaris van [X] is een schadeloosstelling van ƒ 155.000 in de gegeven omstandigheden niet ongebruikelijk of onredelijk te achten. Volgens de inspecteur bedraagt een geobjectiveerde normatieve arbeidsbeloning ƒ 150.000. [X] heeft jarenlang genoegen genomen met een veel lager salaris (...) De schadeloosstelling van ƒ 155.000 is tevens dit gemis aan salaris in het verleden te corrigeren . Op deze schadeloosstelling wegens derving van toekomstige inkomsten danwel gederfde inkomsten als bedoeld in artikel 11 lid 1 onderdeel e (voorheen onderdeel d) Wet op de Loonbelasting 1964 , is derhalve het bijzonder tarief onverkort van toepassing. CONCLUSIE (...) (blz. 15) (...) Gelet op het langdurige dienstverband van [X], zijn leeftijd en het feit dat hij gedurende vele jaren met een te lage beloning genoegen heeft genomen ten opzichte van de geobjectiveerde arbeidsbeloning van ƒ 150.000, is de aan hem toegekende schadeloosstelling bij beëindiging van het dienstverband geenszins ongebruikelijk. (...)" B. . Het desbetreffende vertoogschrift van de Inspecteur hield in: "(blz. 5) (...) In geschil is het antwoord op de volgende vragen: (...) 3. Dient de door Holding (...) aan [X] betaalde schadeloosstelling van ƒ 155.000 belast te worden naar het bijzondere tarief van artikel 31, lid 1 juncto art. 57 van de Wet op de inkomstenbelasting of naar het tabeltarief? (blz. 20) 3. (...) Algemeen Uit de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders van Holding (...), gedateerd 18 oktober 1988, blijkt dat de vergadering heeft besloten de pensioendatum van [X] op 63 jaar te stellen. [X] be De bestreden uitspraak in de zaak nr. 33.263. De bestreden uitspraak houdt in (onder 4.13, blz. 9): "Nadat op 18 oktober 1988 was besloten, dat [X] op 16 januari 1989 met pensioen zou gaan, had hij na die datum geen recht meer op inkomsten als directeur. De vrijwillige, vroegere pensionering van de directeur-grootaandeelhouder is (...) niet op één lijn te stellen met een (onvrijwillig) ontslag. Het op 23 november 1988 genomen besluit tot uitkering van het bedrag van ƒ 155.000,-- aan [X] hield dus voor hem geen schadeloosstelling in voor door hem als directeur te derven inkomsten. De inspecteur heeft derhalve toepassing van het bijzondere tarief op het bedrag van ƒ 155.000,-- terecht geweigerd." VII. . Het middel in de zaak 33.280. A. . Middelonderdeel 1 houdt in (aanvulling van het beroepschrift in cassatie, blz. 3): "Namens [Holding] is uitdrukkelijk betoogd dat de betaling ad f 155.000,- haar grond vindt in de werkzaamheden die [X] ten behoeve van haar heeft verricht. In deze stelling ligt besloten dat [Holding] niet de bedoeling heeft gehad [X] in zijn kwaliteit van aandeelhouder te bevoordelen, d.w.z. dat in casu niet aan het zogenaamde bewustheidsvereiste is voldaan. (...)" B. . Middelonderdeel 2 houdt het verwijt in dat het Hof "(blz. 3) (...) geen enkele aandacht besteed [heeft] aan de mogelijkheid dat [X] het bedrag ad f 155.000,- als reguliere loon- (blz. 4) inkomsten heeft ontvangen in verband met zijn werkzaamheden als directeur." VIII. . Het verweer in cassatie in de zaak nr. 33.280. A. . Naar aanleiding van middelonderdeel 1 betoogt de Staatssecretaris: "(...) In 's Hofs oordeel dat [X] de uitkering uitsluitend in zijn hoedanigheid van aandeelhouder heeft kunnen bedingen ligt besloten dat zowel [X] als [Holding] zich van de uitdeling bewust waren. (...)" B. . Naar aanleiding van middelonderdeel 2 betoogt de Staatssecretaris dat, bij gebreke van desbetreffende stellingen van de partijen, het Hof niet gehouden was te onderzoeken of sprake is van een normale arbeidsbeloning. IX. . Kwalificatie van uitkeringen aan een directeur-grootaandeelhouder voor de heffing van vennootschapsbelasting. A. . Het is duidelijk dat het voor de regeling van aanslagen in de vennootschapsbelasting van lichamen, waarvan grootaandeelhouders tevens bestuurder zijn, van groot belang kan zijn te onderscheiden tussen hetgeen aan de betrokkene als bestuurder voor zijn werkzaamheden wordt toegekend, en hetgeen hij als aandeelhouder als uitdeling van winst ontvangt. B. . HR 6 oktober 1954, nr. 11.900, BNB 1954/318, blz. 756, tot en met regel 25, overwoog, "dat de Raad van Beroep ter beantwoording van de vraag of het bedrag (...) onder de bedrijfskosten mocht worden gerangschikt, had te onderzoeken of de toekenning (...) uitsluitend ter beloning van [de in het bedrijf verrichten] arbeid was toegekend (...), dan wel daarvoor een andere, buiten verband met den verrichten arbeid gelegen, oorzaak gold (...)" C. . HR 29 juni 1955, nr. 12.399, BNB 1955/301, blz. 694, regels 2-25, overwoog, "dat de overweging van den Raad (...) moet worden verstaan als bevattende de beslissing (...) dat [de] vergoeding tot [een] bedrag vormt een bevoordeling van den directeur Y als aandeelhouder; dat echter hetgeen de Raad (...) heeft overwogen enkel de gevolgtrekking wettigt, dat de aan den directeur Y verstrekte kostenvergoeding van f 5000 het bedrag der werkelijk gemaakte kosten met ten minste f 2500 heeft overtroffen, doch (...) niet (...), dat de vergoeding, voorzover f 2500 te boven gaande, een bevoordeling van genoemden directeur als aandeelhouder heeft gevormd en niet een aan dien directeur ter zake van zijn arbeid als zodanig toegekend voordeel; dat door belanghebbende was gesteld, dat meergenoemde directeur tegenover de hem verstrekte vergoeding van f 5000 belast was met de verzorging van den gehelen in- en verkoop en van de boekhouding, en voorts, dat het onaanvaardbaar is, dat met de toekenning van de vermelde vergoeding een bevoordeling van den directeur als Verburg, Vennootschapsbelasting, 1984, betoogt: "(blz. 141) (...) Centraal staat (...) het oogmerk van beide partijen gericht op bevoordeling van de aandeelhouder als zodanig. Nu zou de hantering van een zo uitgesproken subjectief criterium de praktijk stellig voor onoverkomelijke moeilijkheden hebben geplaatst (...) Juist in het belastingrecht (...) dient een belangrijke plaats te worden ingeruimd voor de invloed van (...) objectief vaststelbare gedragingen en toestanden (...) die de weg ontsluiten voor verantwoorde conclusies (...) nopens hetgeen de [belanghebbenden] geacht moeten worden te beogen (...) In de jurisprudentie heeft dit objectiveringsproces zich duidelijk weten te profileren. Er zijn omstandigheden die zo sterk spreken dat zij slechts één conclusie toelaten, nl. deze dat belanghebbenden zich ervan bewust moeten zijn geweest dat sprake was van een uitdeling van winst (...) (blz. 142) (...) Gegeven het feit dat een subjectief criterium in de praktijk vrijwel onhanteerbaar is, zien we dat in toenemende mate betekenis wordt gehecht aan vermoedens gebaseerd op uiterlijke gedragingen enerzijds en op wat maatschappelijk gangbaar is anderzijds. (...)" J. . HR 15 mei 1985, nr. 22.154, met mijn conclusie, BNB 1985/271 met noot G. Slot, onder 4.3, blz. 1551, regels 17-26, overwoog: "De toezegging van een pensioen door een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid aan een directeur-aandeelhouder dient te worden aangemerkt als een uitdeling (...) indien en voor zover aannemelijk is dat de vennootschap door die toezegging de betrokkene als aandeelhouder heeft willen bevoordelen en tevens deze zich daarvan bewust is geweest of redelijkerwijs bewust had moeten zijn. Indien en voor zover evenwel zulks niet aannemelijk is, moet worden aangenomen dat de toezegging is gedaan aan de betrokkene als directeur ter zake van zijn arbeid als zodanig (...)" K. . HR 24 februari 1988, nr. 23.776, met conclusie van de toenmalige advocaat-generaal Verburg, BNB 1988/202 met noot Slot, onder 6.1, blz. 1230, regels 25-32, overwoog: "Het Hof heeft op grond van het grote verschil tussen het bij zakelijke verhoudingen overeen te komen bedrag van f 625.000 en het overeengekomen bedrag van f 972.596 (zijnde f 347.596) aannemelijk geacht dat het meerdere aan A is betaald in zijn kwaliteit van aandeelhouder met de bedoeling hem te bevoordelen, en dat alle aandeelhouders en belanghebbende zich daarvan bewust waren. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard dat het voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst. (...)" L. . HR 12 oktober 1988, nr. 25.120, BNB 1988/334, blz. 2220, tot en met regel 41, overwoog: "4.2. Het middel keert zich tegen 's Hofs beslissing volgens welke de Inspecteur het bedrag (...) ten onrechte als vermomde winstuitdeling had aangemerkt, welke beslissing het Hof heeft doen steunen op zijn oordeel dat bij belanghebbende niet de bedoeling heeft voorgezeten A als aandeelhouder te bevoordelen, dat deze laatste zich er niet van bewust is geweest dat hij als aandeelhouder werd bevoordeeld, en dat hij zich van een zodanige bevoordeling redelijkerwijze ook niet bewust had behoeven te zijn, aangezien de fiscale pensioenproblematiek dermate ingewikkeld is dat valt aan te nemen dat A (...) ten tijde van de overmaking van het bedrag (...) ervan is uitgegaan dat het gepassiveerde en voor de heffing van de vennootschapsbelasting aanvaarde bedrag aanvaarde bedrag van de pensioenaanspraken overeenkwam met de werkelijke waarde ervan. (...) 4.5. (...) het middel [kan niet] tot cassatie leiden." M. . HR 24 april 1991, nr. 27.021, BNB 1991/183, onder 5, blz. 1141, regels 14-20, overwoog, "(...) dat de vraag of een arbeidsbeloning abnormaal hoog is en dientengevolge grond kan opleveren voor het vermoeden dat zij een uitdeling bevat, slechts kan worden beantwoord op de grondslag van de totale omvang van die beloning en niet afhankelijk is 295) (...) Een werknemer die in een onafhankelijke relatie tot zijn werkgever staat, zal geen genoegen nemen met een salaris dat jarenlang beneden zijn marktwaarde ligt. En als hij dat toch doet, bijvoorbeeld omdat hij zich onvoldoende van zijn marktwaarde bewust is, dan ligt het niet voor de hand dat zijn werkgever achteraf dit voordeel (bestaande uit het verschil tussen wat de werknemer aan salaris had kunnen bedingen en wat hij daadwerkelijk had bedongen), zo maar prijsgeeft. (...) (blz. 319) (...) 18.11 (...) Bij de vraag of een voordeel als werknemer of als aandeelhouder wordt genoten, moet men het desbetreffende voordeel niet geïsoleerd beschouwen, maar dient men te kijken naar de totale arbeidsbeloning. Binnen de totale arbeidsbeloning is er dus compensatie mogelijk tussen de diverse componenten, zoals (blz. 320) (contant) salaris, een auto van de zaak, pensioenrechten en tantième. (...)" X. . Uitkering bij beëindiging van een dienstbetrekking. A. . De Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964) houdt in de voor 1989 geldende tekst in: "(...) Art. 31. 1. Tot de inkomsten behoort (...) hetgeen genoten wordt ter vervanging van gederfde of te derven inkomsten. 2. Tot de inkomsten uit arbeid behoort (...) hetgeen genoten wordt ter zake van het staken of het nalaten van werkzaamheden en diensten. (...) Art. 57. 1. Op verzoek (...) wordt het totaal van de volgende bestanddelen van het belastbare inkomen (...) niet op de voet van de (...) tabel belast: (...) e. inkomsten als bedoeld zijn in artikel 31, eerste tot en met vijfde (...) lid (...)" B. . HR 20 juni 1962, nr. 14.817, BNB 1962/271, overwoog (blz. 725, regels 31-42), "dat de overeenkomst van belanghebbende en de vennootschap naar 's Hofs vaststelling hierop neerkomt: a. dat de vennootschap een bedrag van f 45.000 ter beschikking van belanghebbende stelde om daarmede zijn schuld aan de vennootschap te delgen; b. dat belanghebbende gedurende de jaren 1958 tot en met 1962 niet een salaris van f 16.856,40 maar van f 7531,40 van de vennootschap zou genieten; dat het Hof hieruit (...) heeft afgeleid, dat het bedrag van f 45.000 niet strekte om goed te maken, dat belanghebbende gedurende de jaren 1958 tot en met 1962 een geringer salaris zou genieten; dat bij deze opvatting van de overeenkomst 's Hofs beslissing, dat het bedrag van f 45.000 niet een afkoopsom is (...), juist is (...)" C. . HR 24 november 1971, nr. 16.596, BNB 1972/14 met noot H. J. Hofstra, betrof de heffing van inkomstenbelasting 1967. 1. . Het middel betrof primair de toepassing van art. 31, lid 1, Wet IB 1964 en subsidiair die van art. 31, lid 2, Wet IB 1964. 2. . Uw Raad overwoog, "(blz. 43, van regel 45 af) dat (...) N.V. A bij het op haar verlangen (...) beëindigen der tussen haar en belanghebbende bestaande dienstbetrekking aan hem heeft toegezegd ten titel van schadeloosstelling geldsbedragen uit te keren (...) voor het dekken van de verliezen die door belanghebbende zouden worden geleden ten gevolge van het voortijdig moeten verkopen van zijn (...) huis (...); dat hieruit geen andere gevolgtrekking kan worden gemaakt dan dat tussen de beëindiging van de dienstbetrekking bij N.V. A en de uitkeringen van genoemde geldsbedragen een oorzakelijk verband heeft bestaan; dat dientengevolge deze uitkeringen - nu artikel 31, lid 2, van de Wet op de in- (blz. 44, tot en met regel 3) komstenbelasting 1964 blijkens zijn bewoordingen niet meer eist dan zulk een verband - zijn te beschouwen als in de zin van deze wetsbepaling te zijn genoten ter zake van het staken van werkzaamheden (...)" 3. . Hofstra annoteerde (blz. 45, regels 12-17): "(...) In zijn uiterste consequentie kan dit arrest er toe leiden dat alles wat ter gelegenheid van het beëindigen van een dienstbetrekking wordt toegekend, zonder enige verdere differentiatie, het voordeel van het bijzonder tarief deelachtig kan worden (...) Het lijkt mij dat de H.R., aan het vereiste van een "oorzakelijk verband" vasthoudende, zover niet zal gaan. (...)" D. .