Rechtspraak Hoge Raad 1998-03-25
ECLI:NL:HR:1998:AA2517
Inleiding
gewezen op de beroepen in cassatie van X te Z en de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 juni 1994 betreffende na te melden aan belanghebbende over het jaar 1987 opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting en de daarbij genomen beschikking inzake heffingsrente. 1. Aanslag, navorderingsaanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende is aanvankelijk voor het jaar 1987 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van nihil. Vervolgens is hem over dat jaar een navorde ringsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 315.799,--, zonder toepassing van verhoging, waar bij bij beschikking van de Inspecteur heffingsrente in rekening is gebracht ten bedrage van f 47.835,--. Belanghebbende is van de navorderingsaanslag en de beschikking in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van f 284.280,-- en de beschikking inzake heffingsrente vernietigd. De uit spraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende en de Staatssecretaris van Finan ciën hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend. Belanghebbende heeft zijn zaak doen toelichten door mr. A. Hartman, advocaat bij de Hoge Raad. 3. Uitgangspunten in cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is directeur en enig aan deelhouder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C BV (hierna: de BV). Krachtens tot levering bestemde notariële akten van 6 juli 1987 verkreeg de BV ten titel van koop de eigendom van het pand a-straat 2 te Z onder voorbehoud van het recht van vruchtgebruik ten behoeve van de verkoper, E BV, gedurende de periode 6 juli 1987 tot en met 30 juni 1990, voor een bedrag van f 335.000,--, alsmede de eigendom van het pand a-straat 3 te Z voor een bedrag van f 250.000,--. Op dezelfde dag heeft de BV ten titel van koop overgedragen aan belanghebbende de eigendom van het pand a-straat 2, zulks met een daarop rustend recht van vruchtgebruik ten behoeve van een derde gedurende de periode 6 juli 1987 tot en met 30 juni 1990 en onder het voorbehoud van het recht van vruchtgebruik ten behoeve van de BV gedu rende de periode 1 juli 1990 tot en met 30 juni 2012, voor een bedrag van f 93.000,--, alsmede de eigendom < nr. 30.438- ? - > van het pand a-straat 3 onder het voorbehoud van het recht van vruchtgebruik ten behoeve van de BV gedu rende de periode 1 juli 1988 tot en met 30 juni 1990 voor een bedrag van f 190.000.--. De BV heeft het pand a-straat 2 van 1 februari 1988 tot en met 30 juni 1990 gehuurd van E BV. De BV heeft de parterre in gebruik genomen en de ruimte boven de parterre ver huurd aan een derde. In 1987 en 1988 heeft belanghebbende het pand a-straat 3 ingrijpend ver bouwd voor een bedrag van ongeveer f 270.000,--. In de aangifte voor het jaar 1988 heeft belanghebbende ter zake een aftrekpost wegens kosten van onderhoud opgevoerd. Met ingang van 1 september 1988 is het pand door de BV aan derden verhuurd tegen een huurprijs van f 61.200,-- per jaar. Belanghebbende bewoonde in 1987 het pand a-straat 1 te Z. 3.2. De aan belanghebbende voor het jaar 1987 opgelegde primitieve aanslag is overeenkomstig de aangifte berekend naar een belastbaar inkomen van nihil. Het belastbare inkomen ten bedrage van f 315.799,-- waarnaar de navorderingsaanslag is opge legd, is berekend als volgt: aangegeven inkomen negatief f 13.220.-- rendabel maken van vermogen inzake: a-straat 2 259.211,-- a-straat 3 65.952,-- correctie afschrijving 3.856,-- f 315.799,--
=
===== De primitieve aanslag en de navorderingsaanslag zijn beide vastgesteld door het Hoofd van de eenheid Be lastingd Voorts heeft het Hof onder 6.9 en 6.10 geoordeeld dat, zo een dergelijke gelijkstelling niet reeds voortvloeit uit een redelijke wetstoepassing, zij geboden is omdat doel en strekking van artikel 24 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zouden worden miskend indien de met het oogmerk van verijdeling van de werking van die bepaling door belanghebbende geschapen rechtstoe stand niet voor de toepassing van deze bepaling op de zelfde wijze zou worden beoordeeld als de in feite lijk en maatschappelijk opzicht zozeer daarmede over eenstemmende verhuur van de onroerende zaken. De middelen III en IV van belanghebbende keren zich tegen deze oordelen. 4.4 Uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding blijkt niet dat de Inspecteur heeft gesteld dat op enig moment vóór dat waarop aan belanghebbende de eigendom, bezwaard met door de BV voorbehouden rechten van vruchtgebruik, van de onderwerpelijke onroerende zaken geleverd werd, het belang bij die zaken economisch gezien al bij hem was komen te rus ten. Mitsdien moet ervan worden uitgegaan dat zulks niet het geval is geweest. Dan kan niet worden gezegd dat belanghebbende, door niet de juridische volle eigendom van de panden te verwerven, heeft beschikt over de inkomsten die uit de panden gedurende de looptijden van de door de BV voorbehouden rechten van vruchtgebruik zouden voortvloeien, en aldus de panden op een bijzondere wijze rendabel heeft gemaakt. 4.5. De omstandigheid dat na de opeenvolgende transacties een situatie is ontstaan welke ook langs een andere, wel tot belastingheffing aanleiding ge vende, weg bereikt had kunnen worden, is geen grond om inkomstenbelasting te heffen alsof die andere weg ook in feite is gevolgd. Doel en strekking van de wettelijke regeling inzake inkomsten uit vermogen, zoals die voor het onderhavige jaar gold, laten nog wel toe onder omstandigheden de vestiging tegen een tegenprestatie van een tijdelijk recht van vruchtge bruik op een onroerende zaak aan te merken als een bijzondere wijze van het rendabel maken van vermogen, zodat de tegenprestatie bij de eigenaar van de onroe rende zaak in de heffing van de inkomstenbelasting kan worden betrokken, maar het zou te ver gaan om ook nog, andermaal met een beroep op doel en strekking van de wet, met de vestiging van een zodanig vrucht gebruik gelijk te stellen een geval waarin een belas tingplichtige niet anders dan de blote eigendom van een onroerende zaak koopt terwijl de verkoper zich het recht van vruchtgebruik voorbehoudt. In dat geval ontvangt die belastingplichtige bij die koop immers boven de blote eigendom, welke hij ingevolge de koop overeenkomst verkrijgt, geen voordeel dat kan worden aangemerkt als een inkomste uit vermogen of een in komste ter vervanging van te derven toekomstige in komsten uit het gekochte. De omstandigheid dat in dit geval de verkoper de geheel door belanghebbende be heerste BV was, is onvoldoende grond hier tot een ander oordeel te komen. Weliswaar is deze uitkomst uit een oogpunt van evenwichtige belastingheffing weinig bevredigend doordat heffing van inkomstenbe lasting over de opbrengst van de zaak wordt ontgaan, maar zodanige heffing is slechts mogelijk door wijzi ging van de wet, waartoe de wetgever inmiddels ook is overgegaan. 4.6 Uit het vorenstaande volgt dat, anders dan het Hof heeft geoordeeld, van een op bijzondere wijze rendabel maken van vermogen door belanghebbende niet kan worden gesproken. De middelen III en IV van be langhebbende treffen doel. 's Hofs uitspraak kan, behoudens voorzover deze betreft de beslissingen omtrent de heffingsrente, het griffierecht en de proceskosten, niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. De navorderingsaanslag dient te worden vernietigd. De overige middelen van belangheb bende alsmede dat van de Staatssecretaris behoeven geen behandeling meer. 5.Proceskosten De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. 6.Beslissing De Hoge Raad: - verwerpt het bero