Rechtspraak Hoge Raad 1998-03-18
ECLI:NL:HR:1998:AA2479
Bestuursrecht
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 februari 1997 betreffende na te melden aan hem voor het jaar 1992 opgelegde aanslag in de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren van het Hoogheemraadschap van Uitwaterende Sluizen in Hollands Noorderkwartier te Edam. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag in de verontreinigingsheffing opgelegd, berekend naar een heffingsmaatstaf van 35.320 zouteenheden, ten bedrage van f 1.059,60. Na daartegen gemaakt bezwaar is de aanslag bij uitspraak van het Dagelijks Bestuur van het Hoogheemraadschap van Uitwaterende Sluizen in Hollands Noorderkwartier (hierna: het Dagelijks Bestuur) gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van het Dagelijks Bestuur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het Dagelijks Bestuur heeft een vertoogschrift ingediend. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Dit arrest is op 18 maart 1998 vastgesteld door de raadsheer Wildeboer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Fleers, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.