Rechtspraak Hoge Raad 1998-03-04
ECLI:NL:HR:1998:AA2452
gewezen op het beroep in cassatie van de gemeente Leek tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 22 december 1995 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting. 1. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof 2. Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1988 tot en met 31 december 1992 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van 3. f. 5.428,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. 4. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak alsmede de naheffingsaanslag heeft vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 5. 2. Geding in cassatie. 6. Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 7. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. 8. De Advocaat-Generaal Van den Berge heeft op 13 augustus 1997 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en tot verwijzing van het geding naar een ander gerechtshof. 9. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie 10. Nu het Hof de uitspraak van de Inspecteur en de naheffingsaanslag heeft vernietigd, kan het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie niet tot een voor haar gunstiger beslissing leiden. Zij moet derhalve, wegens het ontbreken van het belang, in haar beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. 11. 4. Proceskosten 12. De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. 13. 5. Beslissing 14. De Hoge Raad verklaart belanghebbende niet- ontvankelijk in haar beroep in cassatie. 15. Dit arrest is op 4 maart 1998 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren De Moor, Van der Putt-Lauwers, Meij en Van Vliet, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.Nr. 31.838 Mr Van den Berge Derde Kamer A Conclusie inzake: Omzetbelasting 1988-1992 de gemeente Leek Parket, 13 augustus 1997 tegen: de staatssecretaris van Financiën Edelhoogachtbaar College, 1. Inleiding 1.1. Het cassatieberoep is gericht tegen de schriftelijke uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden (het Hof) van 22 december 1995, nr. 1189/94 . Het beroep is ingesteld door de belanghebbende. 1.2. De belanghebbende is met een belastingplichtige derde overeengekomen dat deze zorgdraagt voor gratis plaatsing van glascontainers en voor de periodieke lossing van het ingezamelde glas. De kosten van lossing komen voor rekening van de belanghebbende. De verkoopopbrengst van het ingezamelde glas komt ten goede aan de belanghebbende door verrekening met de lossingskosten. De belanghebbende en de derde zijn uitgegaan van prijzen exclusief omzetbelasting. 1.3. De belanghebbende heeft over de onderwerpelijke periode ter zake van de glasverkoop ƒ 6.073,85 omzetbelasting aangegeven onder aftrek van ƒ 12.804,21 omzetbelasting ter zake van in rekening gebrachte lossingskosten. Het verschil heeft zij teruggevraagd. Het hoofd van de Belastingdienst/Ondernemingen P heeft de belasting over de glasverkoop nageheven zonder aftrek van voorbelasting. 1.4. Volgens partijen is de glasverkoop in ieder geval een belastbare activiteit van de belanghebbende. Hun geschil betrof enkel de vraag of de lossingskosten verband houden met de glasverkoop, dan wel met de overheidstaak van de belanghebbende. 1.5.Het Hof is van oordeel dat zowel de lossing als de verkoop van het ingezamelde glas behoren tot de overheidstaak van de belanghebbe (...) Een ander element dat een belangrijke plaats inneemt in het afvalstoffenbeleid, betreft het verlangen om waar dat mogelijk en nodig is de belasting van het milieu door afvalstoffen terug te dringen door het in de wet opnemen van bepalingen die er op gericht zijn het ontstaan van afvalstoffen te voorkomen. Ook dit uitgangspunt, dat nauw verbonden is met de bevordering van het hergebruik - een van de vormen van het verminderen van de afvalstroom - heeft zijn weerslag in [het wetsontwerp]." 3.2. Art. 2, lid 1, Afw luidde: "De gemeenteraad stelt bij verordening regelen vast inzake het zich ontdoen van huishoudelijke afvalstoffen. De verordening stelt in elk geval regelen voor het overdragen of het ter inzameling aanbieden van deze afvalstoffen aan een daarbij aangewezen inzameldienst en voor het overdragen van de stoffen aan een ander of het achterlaten daarvan op een daartoe ter beschikking gestelde plaats." Ter toelichting werd opgemerkt: "(...) De inzameling hoeft niet te geschieden door een gemeentelijke inzameldienst maar kan ook plaatsvinden door een van gemeentewege aangewezen particuliere inzameldienst. Tevens zullen de verordeningen regelen moeten bevatten ten aanzien van het overdragen van huishoudelijke afvalstoffen aan een ander; bij de overdracht gaat de zorg voor de stoffen over van de oorspronkelijke houder op degene aan wie ze worden overgedragen. Hierbij kan met name gedacht worden aan de vele particuliere transacties met afval (meegeven van oud papier, schillen en dergelijke). Het is denkbaar dat ten aanzien van deze wijze van zich ontdoen de gemeentelijke verordening zal inhouden dat bepaalde huishoudelijke stoffen slechts aan bepaalde categorieën van personen mogen worden meegegeven. (...) Ten slotte moet de verordening regels geven ten aanzien van het achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen op daartoe ter beschikking gestelde plaatsen, zoals gemeentelijke papierbakken, containers, e.d." Art. 2 van de Model-afvalstoffenverordening betreft de aanwijzing van inzameldiensten, waaronder eventueel particuliere ondernemingen: "De taak die [een particuliere] onderneming op zich neemt wordt dan contractueel vastgelegd. Overigens betekent dit in het laatste geval niet dat de daarmede de verantwoordelijkheid voor een goede inzamelpraktijk zou overgaan van gemeente op onderneming. De gemeente blijft daar te allen tijde krachtens de wet verantwoordelijk voor!" 3.3. Art. 3, lid 1, Afw droeg het gemeentebestuur op er voor zorg te dragen "(...) dat ten minste éénmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige stoffen geregeld in een particuliere huishouding kunnen ontstaan." Deze verplichting houdt eveneens verband met enerzijds ieders eigen verantwoordelijkheid voor de verwijdering van zijn afvalstoffen, anderzijds de taak van de overheid om te voorkomen dat afvalstoffen op een voor het milieu onverantwoorde wijze worden verwijderd. Zij is echter niet afgeleid van de gemeentelijke taak tot regelgeving aangaande afvalstoffen, maar staat op zichzelf: "De Afvalstoffenwet verplicht de gemeenten tot deze wekelijkse inzameling bij alle percelen, onafhankelijk van het al dan niet in werking zijn van een gemeentelijke afvalstoffenverordening (ex. art. 2 Afvalstoffenwet)." 3.4. Naderhand zijn bij Wet van 13 mei 1993, Stb. 283, tot uitbreiding van de Wet milieubeheer (afvalstoffen) de art. 2 en 3 Afw opgenomen in de Wet milieubeheer (art. 10.10. en 10.11.). In de MvT werd de rol van de (gemeentelijke) overheid werd als volgt gekenschetst: [blz. 31] "Het afvalstoffenbeleid kent [nog steeds] als centraal uitgangspunt dat in beginsel een ieder die afvalstoffen produceert of doet ontstaan ook zelf verantwoordelijk is voor een milieuhygiënisch verantwoorde en doelmatige verwijdering ervan. De overheid bemoeit zich met de organisatorische kant van het ontstaan en verwijderen van afvalstoffen, omdat zonder haar sturing de doelstelling van het milieubele