Rechtspraak Hoge Raad 1998-02-11
ECLI:NL:HR:1998:AA2444
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 april 1996 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1991 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof 2. Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 166.697,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. 3. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van 4. f 164.697,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 5. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend. De Advocaat-Generaal Van den Berge heeft op 16 juni 1997 geconcludeerd tot het stellen van vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de uitleg van Europees recht. 6. 3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende woonde in het jaar waarover het gaat, 1991, in Nederland en werkte daar in dienstbetrekking bij een in Nederland gevestigde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarvan de aandelen middellijk werden gehouden door een in België gevestigde naamloze vennootschap. In het kader van een werknemersspaarplan heeft belanghebbende aandelen in laatstgenoemde vennootschap verworven, waarop in 1991 een bedrag van (omgerekend) f 2.337,-- aan dividend is uitgekeerd. 3.7 3.2. Het bezwaar van belanghebbende tegen de onderhavige aanslag berust op de stelling dat het door hem genoten dividend op grond van artikel 47b, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst vóór 1997) (hierna: de Wet) tot een bedrag van f 2.000,-- is vrijgesteld van de heffing van inkomstenbelasting. De Inspecteur heeft geweigerd deze dividendvrijstelling toe te passen, omdat zij slechts geldt voor de opbrengst van aandelen van in Nederland gevestigde vennootschappen. Het oordeel van het Hof komt erop neer dat artikel 47b in zoverre in strijd is met de in het EG-Verdrag verankerde rechten van vrije vestiging en vrij verkeer van kapitaal. Daartegen richt zich het middel. 3.8 3.3. In cassatie is terecht niet in geschil dat genoemd artikel 47b inderdaad alleen de opbrengst van aandelen van in Nederland gevestigde vennootschappen betreft. De vrijstelling geldt blijkens deze bepaling immers de opbrengst van aandelen "waarop dividendbelasting is ingehouden" en krachtens artikel 1, lid 1, van de Wet op de dividendbelasting 1964 wordt dividendbelasting uitsluitend geheven van degenen die gerechtigd zijn tot de opbrengst van in Nederland gevestigde vennootschappen. De wetgever heeft geen uitzondering gemaakt voor opbrengsten van aandelen die zijn verworven in het kader van een werknemersspaarplan. 3.9 3.4. Zoals blijkt uit de door de Advocaat- Generaal in zijn Conclusie onder 2.2 tot en met 2.6 weergegeven geschiedenis van de totstandkoming van artikel 47b van de Wet heeft de dividendvrijstelling - en de beperking ervan tot dividend op Nederlandse aandelen - in overwegende mate een niet-fiscale achtergrond. De vrijstelling is in de eerste plaats bedoeld als maatregel ter verbetering van de eigen- vermogenspositie van het bedrijfsleven en ter stimulering van de belangstelling van particulieren voor Nederlandse aandelen. In een laat stadium van de voorbereiding van het desbetreffende wetsvoorstel is daaraan toegevoegd dat de vrijstelling met name voor kleine beleggers in feite functioneert als een maatregel die enigermate tegemoetkomt aan de dubbele heffing zoals deze Voorzover het middel dit oordeel bestrijdt, roept het de vraag op of artikel 52 van het EG-Verdrag zo dient te worden uitgelegd dat een beperking als is opgenomen in de dividendvrijstelling, namelijk tot dividend van in Nederland gevestigde vennootschappen, met die bepaling in strijd is, alsmede of artikel 6 van het EG-Verdrag aan een zodanige beperking in de weg staat. Ook deze vraag zal de Hoge Raad aan het Hof van Justitie voorleggen. 17. 4. Beslissing 18. De Hoge Raad verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uitspraak te doen over de volgende vragen : 19. 1. Dient artikel 1, lid 1, van Richtlijn 88/361/EEG in samenhang met punt I, onder 2, van bijlage I bij die Richtlijn, aldus te worden uitgelegd dat een beperking voortvloeiend uit een bepaling in de wetgeving op de inkomstenbelasting van een Lid-Staat die dividenden tot op zekere hoogte vrijstelt van de heffing van inkomstenbelasting bij de aandeelhouders, maar die vrijstelling beperkt tot dividenden op aandelen van in die Lid-Staat gevestigde vennootschappen, gelet op artikel 6, lid 1, van voormelde Richtlijn, sinds 1 juli 1990 verboden is? 20. 2. Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, dienen de artikelen 6 en/of 52 van het EG-Verdrag aldus te worden uitgelegd dat een beperkende bepaling als in vraag 1 bedoeld, daarmee onverenigbaar is ? 21. 3. Maakt het voor de beantwoording van bovengenoemde vragen verschil of op toepassing van zodanige vrijstellingsbepaling aanspraak wordt gemaakt door een gewone aandeelhouder dan wel door een werknemer (van een dochtermaatschappij), die de betrokken aandelen houdt in het kader van een werknemersspaarplan? 22. De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van vorenstaand verzoek uitspraak heeft gedaan. Dit arrest is op 11 februari 1998 vastgesteld door raadsheer Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren Fleers, Pos, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud, en op die datum in het openbaar uitgesproken.Nr. 32.278 Mr Van den Berge Derde Kamer B Conclusie inzake: Inkomstenbelasting 1991 de Staatssecretaris van Financiën Parket, 16 juni 1997 tegen X Edelhoogachtbaar College, I. . Feiten en procesverloop. A. . Het beroep in cassatie is gericht tegen de uitspraak van het gerechtshof te 's-Gravenhage (het Hof) van 10 april 1996, nr. 93/2636 . Het is - tijdig en op juiste wijze - ingesteld door de staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris). B. . De belanghebbende, die in Nederland woont, is werkzaam bij C B.V., waarvan de aandelen middellijk worden gehouden door de in België gevestigde D N.V. In het kader van een werknemers-spaarplan heeft de belanghebbende aandelen in die N.V. verworven, waarop in 1991 ƒ 2.337,- dividend werd uitgekeerd. Overeenkomstig het Nederlands-Belgische belastingverdrag hield België daarop bronbelasting in. C. . In zijn bezwaarschrift tegen de over 1991 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting maakte de belanghebbende aanspraak op toepassing van de dividendvrijstelling (art. 47b, lid 1 Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964), sinds 1 januari 1997 art. 42c Wet IB 1964) toe te passen. De inspecteur (het hoofd van de eenheid van de Belastingdienst Particulieren te P, hierna: de Inspecteur) weigerde dat, omdat de vrijstelling slechts ziet op Nederlandse dividenden. . De belanghebbende heeft daarop beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof was van oordeel dat de in art 47b Wet IB 1964 neergelegde beperking van de vrijstelling tot Nederlandse dividenden strijdig is met de artikelen art. 52 en 58 van het EG-Verdrag (vrijheid van vestiging) en met de op art. 67 van het EG-verdrag gebaseerde Richtlijn 88/361/EEG (vrij verkeer van kapitaal). D. . De Staatssecretaris bestrijdt deze oordelen. E. . De belanghebbende heeft een vertoogschrift in De Staatssecretaris bestrijdt dat, en betoogt in dat verband (beroepschrift in cassatie, blz. 2, midden) dat de vrijstelling wel beperkt moet worden tot de (opbrengst van) Nederlandse aandelen, omdat de uitgedeelde vennootschapswinsten in de meeste andere Lid-Staten van de EG op een andere wijze worden belast dan in Nederland, namelijk volgens een verrekeningstelsel. 2.10. Dat aspect is echter slechts van belang voor zover ook de Nederlandse aandeelhouder van een vennootschap, die is gevestigd in een land waar een verrekeningstelsel wordt toegepast, van dat stelsel kan profiteren. Dat is maar in beperkte mate het geval. De voordelen van een verrekeningstelsel zijn veelal voorbehouden aan de binnenlandse aandeelhouders. Alleen de Nederlandse aandeelhouder in een Franse of Engelse vennootschap kan op grond van de met die landen gesloten belastingverdragen een avoir fiscal of tax credit verrekenen. Het argument veronderstelt bovendien, dát men de vrijstelling als een maatregel tot verzachting van de dubbele heffing ziet. III. . Art. 52 EG-Verdrag: vrijheid van vestiging. A. . Het Hof was van mening dat art. 47b Wet IB 1964 een indirecte discriminatie ten aanzien van het recht van vrije vestiging teweeg brengt, omdat een in Nederland gevestigde vennootschap met een in Nederland gevestigde dochtervennootschap bij de uitkering van dividend wel van de dividendvrijstelling kan profiteren, terwijl een in een andere Lid-Staat gevestigde vennootschap met een dochtervennootschap in Nederland dat niet kan (o. 6.6.). 3.2. Het lijkt mij op zichzelf genomen al een vraag, of het in art. 52 EG-Verdrag neergelegde recht van vrije vestiging zó ruim moet worden opgevat, dat het ook regelingen als de dividendvrijstelling daarop een inbreuk kunnen maken. 3.3. Belangrijker lijkt mij echter, of de belanghebbende als aandeelhouder, gesteld al dat het recht van D N.V. tot vrije vestiging zou zijn geschonden, daaraan enige aanspraak zou kunnen ontlenen. Het EHRM (24 oktober 1995, NJ 1996, 375 m.nt. E.A. Alkema) en de civiele kamer van Uw Raad (HR 2 december 1994, NJ 1995, 288 m.nt. J.M.M. Maeijer) wezen dergelijke afgeleide aanspraken af. IV. . Art. 67 EG-Verdrag: vrijheid van kapitaalverkeer. A. . Algemeen. 1. . Art. 67, lid 1, EG Verdrag luidde: "Gedurende de overgangsperiode en in de mate waarin zulks voor de goede werking van de gemeenschappelijke markt nodig is, heffen de Lid-Staten in hun onderling verkeer geleidelijk de beperkingen op met betrekking tot het verkeer van kapitaal toebehorende aan personen die woonachtig of gevestigd zijn in de lid-Staten alsmede de discriminerende behandeling op grond van nationaliteit of van de vestigingsplaats van partijen of op grond van het gebied waar het kapitaal wordt belegd." De bepaling had geen rechtstreekse werking (HvJ EG 11 november 1981, zaak 203/80 (Casati), Jur. 1981, blz. 2595, o. 8-13). De bepaling was uitgewerkt in richtlijnen , die wel rechtstreeks werkten. Die richtlijnen betroffen o.a. de uitgifte van aandelen op een effectenbeurs en transacties in ter beurze genoteerde effecten. 4.1.2. De richtlijnen geven, gelet op de tekst van art. 67 EG-Verdrag, beleggers een rechtstreekse aanspraak op vrijheid van kapitaalverkeer. 4.1.3. Aanvankelijk is wel betoogd dat die vrijheid slechts de kapitaaltransacties als zodanig betrof , maar in het arrest Svensson en Gustavsson koos het HvJ EG voor een ruimere opvatting (zie par. 4.2.). 4.1.4. Naast discriminatie kan ook sprake zijn van belemmeringen van het vrije kapitaalverkeer. Voor de toetsing van de gerechtvaardigdheid van nationale belemmeringen heeft het HvJ EG ten aanzien van de vrijheid van goederenverkeer een 'rule of reason' ontwikkeld. Aannemend dat die toets ook kan worden toegepast ten aanzien van de vrijheid van kapitaalverkeer , is in dit verband van belang of de beperking berust op 'redenen van algemeen belang'. Het gaat daarbij met name om de samenhang van de bestreden regeling met het belastingstelsel als geheel. 4.1.5. HvJ EG 28 januar