Rechtspraak Hoge Raad 1998-04-22
ECLI:NL:HR:1998:AA2431
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 19 december 1996 betreffen de de aan X te Z voor het jaar 1993 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 283.914,--, waarvan een bedrag van f 228.387,-- belast naar het tarief van artikel 57 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen van f 238.914,-- met toepassing van het 45%-tarief op een bedrag van f 226.387,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. 3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar (1993) zijn landbouwonderneming gestaakt. Hij heeft de tot zijn ondernemingsvermogen behorende boerderij met bijgebouwen, tezamen met ongeveer 2.8 ha. grond, voor een bedrag van f 240.000,-- verkocht aan zijn zoon. 3.2. 3.2. De Inspecteur heeft zich voor het Hof op het standpunt gesteld dat belanghebbende met vorenbedoelde verkoop zowel ter zake van de ondergrond van de woning als ter zake van de ondergrond van het bij de boerderij met bijgebouwen behorende bedrijfsperceel zogenoemde belaste bestemmingswijzigingswinst heeft behaald. Hij becijferde deze winst op f 25.000,-- voor de ondergrond van de tot de boerderij behorende woning en f 20.000,-- voor de overige grond, tezamen f 45.000,-- . 3.3. 3.3. Het Hof heeft het standpunt van de Inspecteur verworpen. Met betrekking tot de ondergrond van de woning heeft het daartoe geoordeeld dat in het onderhavige geval, waarin de woning is verkocht voor voortgezette bewoning door de koper, hetzelfde heeft te gelden als in de arresten van 8 juli 1996, nummers 30474 en 30962, BNB 1996/310 en 311, waarin de Hoge Raad voor gevallen, waarin een belastingplichtige een tot het vermogen van zijn landbouwbedrijf gerekende woning na staking van het bedrijf bleef bewonen, heeft beslist dat de woning geen andere bestemming heeft gekregen. 3.4. 3.4. Zoals in voornoemde arresten overwogen blijkt uit de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de in artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) opgenomen uitzondering op de in deze bepaling geregelde landbouwvrijstelling, dat deze uitzondering op de voorheen geldende vrijstelling ziet op de waardeverandering van zaken waarvan de aanwending wordt gewijzigd, in het bijzonder in deze zin dat zij voortaan, in afwijking van het gebruik waarvoor zij tot dusver dienden, zullen worden gebezigd voor doeleinden als de aanleg van industrieterreinen, voor woningbouw of als recreatiegebied. 3.5. 3.5. Indien een belastingplichtige een door hem uitgeoefend landbouwbedrijf staakt en de door hem bewoonde, tot het vermogen van dat landbouwbedrijf behorende, woning vervreemdt aan een persoon die de woning aanschaft ten einde deze voor woondoeleinden te bezigen, kan bezwaarlijk worden gezegd dat die woning een andere aanwending heeft gekregen. Voorts is in zodanig geval geen sprake van een nieuwe bestemming van de grond voor de in voormelde parlementaire stukken vermelde of daarmee overeenkomende doeleinden. 3.6. 3.6. Een en ander leidt tot de gevolgtrekking dat het niet in overeenstemming is met de tekst en de