Rechtspraak Hoge Raad 1998-01-28
ECLI:NL:HR:1998:AA2396
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 maart 1996 betreffende de in de maand augustus 1995 van X te Z ingehouden loonbelasting. 1. 1. Inhouding, bezwaar en geding voor het Hof Op in augustus 1995 aan belanghebbende gedane betalingen is loonbelasting ingehouden tot een bedrag van f 5.431,85. Bij uitspraak van de Inspecteur is het tegen die inhouding gemaakte bezwaar afgewezen. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de inhouding verminderd tot een bedrag van f 2.440,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2.2. Geding in cassatie 3. De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 4. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend. 5. De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft op 1 mei 1997 geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 6. 3. Beoordeling van het middel 3.7 3.1. Van belanghebbende is loonbelasting ingehouden naar het tarief van 60 percent, vermeld in artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964, hierna : de Wet, op grond van het feit dat hij geen afschrift van een document als bedoeld in artikel 28, lid 1, letter f van de Wet, verder: identiteitsbewijs, aan de inhoudingsplichtige, zijn werkgever, heeft verschaft. Het in cassatie bestreden oordeel van het Hof houdt in dat belanghebbende daartoe ook niet gehouden was en dat - nu belanghebbende wel een identiteitsbewijs aan zijn werkgever ter inzage heeft verstrekt en deze zijn identiteit aan de hand daarvan heeft vastgesteld - er geen plaats is voor toepassing van het tarief van 60 percent. 3.8 3.2. De redengeving voor dit oordeel is, kort samengevat, de volgende. Volgens artikel 26b van de Wet geldt het tarief van 60 percent, voorzover hier van belang, slechts als de identiteit van de werknemer niet is vastgesteld. Daartoe verplicht artikel 29, lid 1, van de Wet de werknemer wel zijn identiteitsbewijs ter inzage te verstrekken, maar niet daarvan een afschrift aan de inhoudingsplichtige te doen toekomen of deze toe te staan zelf een afschrift te maken. Door zijn identiteitsbewijs ter inzage te verstrekken biedt de werknemer de inhoudingsplichtige ook de mogelijkheid de in artikel 28, lid 1, letter f van de Wet bedoelde gegevens te registreren en daarvan aantekening te houden in de loonadministratie. Alleen tot het naleven van de in die bepaling vermelde verplichting van de inhoudingsplichtige ook een afschrift van het identiteitsbewijs in de loonadministratie op te nemen is deze niet in staat als de werknemer hem niet een afschrift verschaft of toestaat dit te maken. Die verplichting of een tegenhanger daarvan ontbreekt echter in de artikelen 26b en 29, lid 1, van de Wet en het enkele gegeven dat de inhoudingsplichtige niet in staat is een afschrift in de loonadministratie op te nemen is onvoldoende om in de wet een verder strekkende verplichting te lezen dan de tekst aangeeft. Deze tekstuele uitleg van laatstgenoemde bepalingen is niet in strijd met doel en strekking van die bepalingen. 3.9 3.3. Volgens het middel hecht het Hof aldus een bijzondere betekenis aan de tekst van artikel 29, lid 1, van de Wet en miskent deze redengeving de wetsgeschiedenis - waaruit onomstotelijk zou blijken dat de werknemer moet toestaan dat de inhoudingsplichtige een kopie maakt van het identiteitsbewijs - en (de samenhang van genoemde bepaling met) de andere relevante bepalingen. Artikel 26b, aldus het middel, bepaalt immers dat de belasting 60 percent bedraagt in het geval dat de identiteit van de werknemer niet is vastgesteld overeenkomstig artikel 28, lid 1, letter f, en die bepaling verplicht de inhoudingsplichtige onder meer een afschrift van het identiteitsbewijs in de loonadministratie op te nemen. 3.10 In de eerste plaats heeft de inhoudingsplichtige (...) datgene gedaan waartoe artikel 28, eerste lid, onderdeel f, van de Wet hem verplicht. In de tweede plaats komt het tarief van 60 percent (...) niet voor toepassing in aanmerking. De door de wetgever beoogde vaststelling van de identiteit van de werknemer is terug te vinden in elk van de drie (...) bepalingen. Dat aspect hebben die bepalingen met elkaar gemeen. Een zodanige koppeling is echter niet aanwezig waar het gaat om de tweede verplichting die artikel 28, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de inhoudingsplichtige legt, te weten de opneming in de loonadministratie (...) Zowel in artikel 26b als in artikel 29, eerste lid, van de Wet ontbreekt die verplichting dan wel een tegenhanger ervan. (...) (blz. 6) (...) 6.4. (...) Indien (...) de werknemer niet toestaat dat een afschrift van het identiteitsbewijs wordt gemaakt, is de inhoudingsplichtige niet in staat om een afschrift (...) in de loonadministratie op te nemen. Dit enkele gegeven acht het Hof onvoldoende om in artikel 26b of in artikel 29 (...) een verder strekkende verplichting te lezen dan de tekst aangeeft. Mede gelet op het ingrijpende karakter van een zodanige verplichting, acht het Hof (...) de tekst van genoemde bepalingen van doorslaggevende betekenis. (...) 6.5. (...) De wetgever heeft het kennelijk niet noodzakelijk geacht een wettelijke voorziening voor zodanig geval te treffen. De vijfde nota van wijzigingen (...) voorziet weliswaar in de uitdrukkelijke verplichting (...) van de inhoudingsplichtige om een afschrift (...) in de loonadministratie op te nemen, maar (blz. 7) laat na een complementaire verplichting (...) van de werknemer te regelen. (...)" B. . Van de Merwe annoteerde: "(...) Ter versterking van de identificatieplicht is (...) het anoniementarief in stelling gebracht. Dit tarief geldt (...) voor de werknemer van wie de identiteit niet is vastgesteld aan de hand van een toegelaten identiteitsbewijs. Art. 26b Wet LB 1964 noemt daarbij niet de bijkomende verplichting voor de werkgever een afschrift van het identiteitsbewijs te bewaren. Het niet voldoen aan die verplichting leidt dus niet tot toepassing van het anoniementarief, zoals Hof 's-Gravenhage (...) terecht besliste. (...)" IV. . Het middel. Het middel houdt in (ik vermeld nadere vindplaatsen in het beroepschrift in cassatie): "(blz. 1) (...) uit de (...) wetsgeschiedenis blijkt (...) onomstotelijk dat de werknemer moet toestaan dat inhoudingsplichtige een kopie maakt (...) Het Hof let naar mijn mening onvoldoende op (de samenhang met) de andere relevante bepalingen. (...) (blz. 2) Aangezien in casu de identiteit van belanghebbende niet is vastgesteld overeenkomstig artikel 28, eerste lid, onderdeel f, van de Wet -er is geen afschrift (...) in de loonadministratie opgenomen- is de belasting terecht op 60 percent vastgesteld. (...)" V. . Beoordeling van het middel. A. . Naar mijn oordeel heeft het Hof op goede gronden een juiste beslissing genomen. B. . In mijn eigen woorden: het gaat hier om een nagenoeg duidelijke wetstekst , die de toepassing van het anoniementarief verbindt aan het niet vastgesteld zijn van de identiteit op de wijze van art. 28. Art. 28 gewaagt van vaststellen, "alsmede" opnemen in de loonboekhouding. Dus koppelt de tekst het anoniementarief niet aan het element opnemen. C. . Het gaat hier voorts om een nagenoeg duidelijke wetsgeschiedenis, waarin van de zijde van de Tweede Kamer de bewindsman voorgehouden werd dat de wijze raad afschrift te houden geen steun vond in de wetstekst, en de bewindsman daarop in een laat stadium reageerde door de inhoudingsplichtige daartoe te verplichten. Bij gebrek aan meer aanwijzingen moet aangenomen worden dat de bewindsman meende daarmee te kunnen volstaan. In ieder geval geeft de wetsgeschiedenis er geen aanwijzing voor dat de bewindsman in dit stadium meende corresponderende verplichtingen van anderen in het leven te roepen, en evenmin daarvoor dat hij die verplichting (nota be