Rechtspraak Hoge Raad 1998-07-22
ECLI:NL:HR:1998:AA2365
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 21 januari 1997 betreffende na te melden aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen alsmede het kwijtscheldingsbesluit betreffende de in die naheffingsaanslag begrepen verhoging. 1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1994 tot en met 31 december 1994 een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van f 57.779,-- aan enkelvoudige loonbelasting en premie volksverzekeringen, met een verhoging van 100 percent, welke verhoging de Inspecteur direct bij het vaststellen van de naheffingsaanslag heeft kwijtgescholden tot op f 28.889,-- (50 percent). Na bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag en het kwijtscheldingsbesluit inzake de verhoging heeft de Inspecteur bij gezamenlijke uitspraak de naheffingsaanslag gehandhaafd en het kwijtscheldingsbesluit herzien in die zin dat de verhoging nader is kwijtgescholden tot op f 14.444,-- (25 percent). Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd tot f 57.779,-- aan loonbelasting en premie volksverzekeringen, zonder verhoging. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft op 13 oktober 1997 geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en verwijzing van het geding naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing. 3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende heeft verzuimd de in het loontijdvak december 1994 op het loon van haar (enige) werknemer ingehouden loonbelasting/premie volksverzekeringen ten bedrage van f 58.379,-- op aangifte af te dragen. Op 25 januari 1995 heeft zij de loonbelastingkaart over het jaar 1994 van haar werknemer aan de Inspecteur gezonden, waarop vermeld het juiste totaal van f 124.952,-- aan in dat jaar op diens loon - met inbegrip van het loon over de maand december - ingehouden loonbelasting/premie volksverzekeringen. Op 28 februari 1995 heeft de Inspecteur in verband met het uitblijven van aangifte en afdracht over de maand december 1994 over die maand een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een geschat bedrag van f 600,--, met een verhoging van 100 percent waarvan direct bij het vaststellen van de naheffingsaanslag 90 percent is kwijtgescholden. Belanghebbende heeft die aanslag op 7 maart 1995 betaald. Op 1 februari 1996 heeft de Inspecteur vervolgens de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd voor het verschil ad f 57.779,-- tussen het totaal aan ingehouden loonbelasting/premie volksverzekeringen zoals vermeld op de loonbelastingkaart en het totaal aan in feite (over de maanden januari tot en met november 1994) afgedragen en op 28 februari 1995 (over de maand december) reeds nageheven belasting en premie. Bij zijn uitspraak op het bezwaarschrift heeft de Inspecteur, onder handhaving van zijn standpunt dat het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting en premie is geheven, de in de naheffingsaanslag begrepen verhoging van 100 percent in stand gelaten, doch daarvan verdere kwijtschelding verleend tot op f 14.444,-- (25 percent). 3.2. Het Hof heeft geoordeeld (onder 2.1) dat belanghebbende, in verband met de inzending van de loonbelastingkaart met de juiste gegevens, in redelijkheid erop kon rekenen dat het niet afgedragen bedrag zou worden nageheven, en (onder 2.2) dat derhalve de Inspecteur niet aannemelijk heef De zojuist bedoelde naheffingsaanslag is op 7 maart 1995 betaald. J. . Op 1 februari 1996 volgde een naheffingsaanslag voor hetgeen uiteindelijk over 1994 te weinig afgedragen was. K. . In geschil is of de belanghebbende de in de zojuist bedoelde naheffingsaanslag begrepen verhoging, die uiteindelijk, na kwijtschelding, op 25 % gesteld is, verschuldigd is. L. . Het Hof heeft het geschil ten gunste van de belanghebbende beslecht. M. . Het beroep in cassatie is per fax en voor het overige in overeenstemming met de desbetreffende voorschriften ingesteld. Het faxbericht is gevolgd door inzending van het originele, ondertekende, beroepschrift in cassatie. Het beroep in cassatie steunt op een middel van cassatie. N. . De belanghebbende is in de gelegenheid gesteld een vertoogschrift in cassatie in te dienen, maar daarvan heeft zij geen gebruik gemaakt. II. . De verplichtingen van de inhoudingsplichtige. A. . De Algemene wet inzake rijksbelastingen houdt in de voor 1994 geldende tekst in: "(...) Art. 19. 1. In de gevallen waarin de belastingwet (...) afdracht van (...) ingehouden belasting op aangifte voorschrijft, is de (...) inhoudingsplichtige (...) gehouden de belasting (...) overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen. (...) Art. 20. 1. (1e volzin) Indien belasting die op aangifte behoort te worden (...) afgedragen, (...) niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. (...) 4. De bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren (...) Art. 21. 1. (1e volzin) De in een naheffingsaanslag begrepen belasting wordt met honderd percent verhoogd. (2e volzin) De verhoging bedraagt tien percent (...) voor zover het niet aan opzet of grove schuld van degene van wie wordt nageheven is te wijten dat te weinig belasting is geheven. 2. Bij het vaststellen van een naheffingsaanslag (...) neemt de inspecteur (...) een besluit of en in hoeverre kwijtschelding van de verhoging wordt verleend. (...) Art. 22. Indien en voor zover belasting die op aangifte behoort te worden (...) afgedragen, te laat (...) wordt betaald, kan de inspecteur de (...) inhoudingsplichtige, bij wijze van verhoging een naheffingsaanslag opleggen ten bedrage van tien percent (...)" B. . Art. 28, lid 1, Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964), oorspronkelijke tekst, hield in: "De inhoudingsplichtige is gehouden (...): (...) d. aan de inspecteur opgave te verstrekken van het in een kalenderjaar door de werknemer genoten loon, van de ingehouden belasting en van andere gegevens welke van belang kunnen zijn voor de heffing van de loonbelasting, de inkomstenbelasting of het schoolgeld; e. aan de werknemer opgave te verstrekken van het in een kalenderjaar genoten loon en de ingehouden belasting." C. . De Wet LB 1964 houdt in de voor 1994 geldende tekst in: "(...) Art. 27. 1. De belasting wordt geheven door inhouding op het loon. (...) 5. De inhoudingsplichtige is verplicht de belasting in te houden (...) 8. De inhoudingsplichtige is verplicht de (...) ingehouden belasting op aangifte af te dragen. (...) Art. 28. 1. De inhoudingsplichtige is gehouden (...): (...) d. aan de inspecteur opgave te verstrekken van het in een kalenderjaar door de werknemer genoten loon, van de ingehouden belasting en van andere gegevens welke van belang kunnen zijn voor de heffing van inkomstenbelasting; e. aan de werknemer opgave te verstrekken van het in een kalenderjaar genoten loon, van de ingehouden loonbelasting en van andere gegevens welke van belang kunnen zijn voor de heffing van de inkomstenbelasting; (...)" . Ter toelichting van de wijziging van art. 28, lid 1, letter d, Wet LB 1964 bij Wet van 21 december 1989, Stb. 582, werd betoogd (Nota van wijziging, Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1989-1990 - 21.184, nr. 4, Toelichting, blz. 4, 3e al .): "(...) De (...) wijziging (...) voorziet in het doen vervallen van de woorden "de loonbelasting (...)" (...) De (...) door de inhoudingsplichtige te verstrekken gegevens aan onderscheidenlijk de in