Rechtspraak Hoge Raad 1998-07-15
ECLI:NL:HR:1998:AA2355
gewezen op het beroep in cassatie van het Sociaal Werkvoorzieningschap Midden-Gelderland te Arnhem tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 30 mei 1997 betreffende na te melden aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1990 tot en met 31 december 1992 een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van f 302.175,-- aan loonbelasting en premie volksverzekeringen, zonder toepassing van een verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof, beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoog schrift ingediend. 3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is opgericht ter uitvoering van de Wet op de sociale werkvoorziening (hierna: WSW). Haar werknemers kunnen worden onderscheiden in twee categorieën, te weten de werknemers op grond van de WSW (hierna: WSW-werknemers) en de werknemers met een ambtelijke status. Sommige WSW-werknemers maakten gebruik van de zogenoemde vut-regeling (hierna: de vutters). Belanghebbende verkrijgt haar financiële middelen onder meer uit gelden in de vorm van periodieke budgetten verleend door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW) en uit behaalde omzet wegens verrichte leveringen en diensten. Bij brief van 5 juni 1990 is aan belanghebbende door SZW een bijstelling van het budget voor 1990 toegezegd. Op 11 juni 1990 is tussen de Staatssecretaris SZW, de bonden Abvakabo, CFO en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, welke laatste optrad namens de instellingen in de sociale werkvoorziening, een "akkoord arbeidsvoorwaarden sociale werkvoorziening 1990" (hierna: het Akkoord) gesloten. dit Akkoord is - voorzover in cassatie van belang - onder meer het volgende overeengekomen: "4. Loonsverhoging Partijen zijn overeengekomen dat in de sector sociale werkvoorziening met ingang van 1 mei 1990 een loonsverhoging van 2,7% zal worden gerealiseerd. Met deze loonsverhoging is voor 1990 een bedrag van f 49,9 mln. op kasbasis gemoeid. (...). Er is verder rekening mee gehouden dat deze loonstijging doorwerkt naar loon gerelateerde afspraken, zoals vakantietoeslag en VUT. 5. Middelen voor uitkeringen ineens In verband met het late tijdstip waarop in 1990 afspraken over de loonontwikkeling kunnen worden gemaakt, zijn partijen overeengekomen eenmalig een bedrag van f 21,4 mln. ter beschikking te stellen van bestuurlijke eenheden, waarmee die de mogelijkheid krijgen uitkeringen ineens aan de WSW- werknemers en de VUT-ters te doen. Bij de vaststelling van het bedrag is uitgegaan van een aantal van 77.620 voltijdwerkers en VUT- ters. Er is uitgegaan van een bedrag van f 275 per werknemer, verlaagd naar rato van het aantal niet gewerkte uren in geval van deeltijd en naar rato van de jeugdloonstaffeling voor jongeren. Voor VUT-ters is uitgegaan van een uitkering ter hoogte van 80% van het genoemde bedrag. Voor wat betreft de vormgeving van de uitkeringen ineens door bestuurlijke eenheden wordt nadrukkelijk gewezen op de bestaande mogelijkheden voor beperkte uitkeringen uit vrijgevigheid in geval van feestdagen e.d. Dergelijke uitkeringen kunnen een belastingvrij karakter hebben. Indien de gekozen vorm voor de uitkeringen ineens dat niet mogelijk maakt, zullen de middelen voor af te dragen werkgeverspremies e.d. door de bestuurlijke eenheid binnen het voor de eenmalige uitkeringen beschikbaar gestelde budget moeten worden gevonden."