Rechtspraak Hoge Raad 1998-06-10
ECLI:NL:HR:1998:AA2290
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 mei 1997 betreffende de hem voor het jaar 1994 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f. 21.399,--, en een belastingvrije som van f. 5.925,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof, beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend. 3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende, die in het onderhavige jaar, 1994, een belastbaar inkomen had van f 21.399,--, woonde in dat jaar met zijn ouders en zijn broer op hetzelfde adres in Q. Het belastbare inkomen van zijn broer, die jonger was dan 27 jaar en gedurende de maanden januari tot en met augustus van 1994 studiefinanciering genoot, bedroeg f 4.895,--. 3.2. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of de broer de in 1994 aan hem toekomende belastingvrije som, ten bedrage van f 5.925,-- (hierna: de basisaftrek), kan overdragen aan belanghebbende. 3.3. Het Hof heeft overdracht van de basisaftrek niet mogelijk geacht op grond van zijn oordeel dat de ouders van de broer in het jaar 1994 gedurende meer dan zes maanden in belangrijke mate hebben bijgedragen aan diens levensonderhoud. Het heeft daartoe redengevend geacht dat, als wordt uitgegaan van de door belanghebbende gestelde bijdrage van de broer in de kosten van de huishouding, de ouders in ieder geval voor circa f 30,-- per week bijdroegen in het levensonderhoud van de broer en dat de door de ouders aan de broer verstrekte huisvesting gewaardeerd moet worden op meer dan f 56,-- per week. 3.4. Belanghebbende klaagt in cassatie erover dat deze redengeving voor wat betreft de huisvesting 's Hofs oordeel niet kan dragen. Deze klacht is gegrond. Voor de beantwoording van de vraag of een belastingplichtige in belangrijke mate door zijn ouders is onderhouden, zijn uitgaven, welke deze ouders ook zouden hebben gedaan als zij niet voor deze belastingplichtige zouden hebben te zorgen niet van belang (HR 30 mei 1962, nr. 14792, BNB 1962/192). Er is geen goede grond op dit punt voor de toepassing van artikel 56 anders te oordelen dan voor de toepassing van artikel 46. 3.5. Door de gegrondbevinding van de klacht komen de door de Inspecteur voor het Hof aangevoerde stellingen waarover het Hof geen oordeel heeft gegeven, alsnog aan de orde. De Hoge Raad zal deze stellingen nu behandelen, aangezien zo zij juist zijn de gegrondbevinding van de klacht niet tot cassatie leidt. 3.6. De Inspecteur heeft betoogd dat belanghebbende en zijn broer niet een gezamenlijke huishouding voerden omdat in hun huisvesting werd voorzien door hun ouders en zij deel uitmaakten van het huishouden van hun ouders. Overdracht van de basisaftrek zou, aldus ook de Staatssecretaris in cassatie, in zodanige situaties niet door de wetgever bedoeld zijn. Hierbij is het volgende van belang. 3.7. Hoewel de tekst van artikel 56 enigszins de indruk wekt dat overdracht van de basisaftrek op overeenkomstige wijze als bij gehuwden slechts mogelijk is ingeval een gezamenlijke huishouding bestaat tussen twee ongehuwd samenwonende partners, valt die beperking daarin niet te lezen. Een dergelijke beperking zou ook in strijd zijn met de wetsgeschiedenis. De in artikel 56 geregelde overdracht van de basisaftrek is immers een voortzetting, in gewijzigde vorm, van de voetoverheveling tussen ongehuwde