Rechtspraak Hoge Raad 1997-12-17
ECLI:NL:HR:1997:AA3352
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 maart 1996 betreffende de aan hem voor het jaar 1992 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag in de inkomstenbelasting/premievolksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen/premie-inkomen van f 56.407,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft zich bij vertoogschrift gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad. De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft op 30 juli 1997 geconcludeerd tot vernietiging van 's Hofs uitspraak en van de uitspraak van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een waarin f 2.267,-- premie volksverzekeringen begrepen is, met handhaving van de overige bestanddelen. 3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. Belanghebbende woonde in het onderhavige jaar (1992) in Nederland. Hij was in dienstbetrekking werkzaam als kapitein op een "diving support vessel" voor de offshore-industrie. Het vaartuig, waarvoor een zeebrief was afgegeven, voer onder Nederlands- Antilliaanse vlag. Belanghebbendes werkgever was in Nederland gevestigd. 3.1.2. Belanghebbende was in 1992 van 1 april tot en met 27 augustus werkzaam op het Britse deel van het continentale plat en van 28 augustus tot en met 31 december op het Noorse deel. 3.1.3. In de onderhavige aanslag is een bedrag van f 10.977,-- aan premie volksverzekeringen begrepen. Bij de berekening van dit bedrag is de Inspecteur op de voet van het bepaalde in artikel 10, lid 6 , van de Wet financiering volksverzekeringen (tekst 1992; hierna: de Wet) uitgegaan van een maximaal belastbare som voor de premieheffing van f 42.966,-- en een heffingspercentage van 25,55. 3.1.4. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of belanghebbende gedurende de periode 1 april tot en met 31 december 1992 verzekerd en mitsdien premieplichtig was voor de volksverzekeringen. Belanghebbende heeft deze vraag met een beroep op het bepaalde in artikel 10, lid 1, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 (tekst 1992; hierna: het BUB 1989) ontkennend beantwoord. Belanghebbende heeft de naar zijn oordeel over 1992 verschuldigde premie, met kennelijke toepassing van het bepaalde in artikel 10, leden 1 en 4, van de Wet en het bepaalde in artikel 4, lid 1, jo. artikel 5 van de Uitvoeringsregeling premieheffing volksverzekeringen 1990 (tekst 1992) berekend op f 2.267,--. Hij is daarbij uitgegaan van negentig premiedagen en van een (herleid) premie-inkomen van (90/360 x f 56.407,--) = f 14.101,--, alsmede van een belastingvrije som van f 5.225,--. 3.2. Het Hof heeft het beroep van belanghebbende ongegrond geoordeeld en daartoe - voorzover in cassatie van belang - overwogen dat het niet voor de hand ligt dat artikel 10, lid 1, van het BUB 1989, dat bepaalt dat niet verzekerd ingevolge de volksverzekeringen is de ingezetene die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid verricht, ook is bedoeld voor zeevarenden die behoudens het feit dat zij in Nederland wonen in plaats van aan boord van hun vaartuig, voldoen aan de omschrijving van artikel 4 van het BUB 1989. Tegen dit oordeel komt het middel terecht op. 3.3. Anders dan het Hof heeft geoordeeld is er geen grond voor de opvatting dat het bepaalde in artikel 10, lid 1, van het BUB 1989 niet mede van toepassing is op zeevar 6 Wet financiering volksverzekeringen houdt in: "Premieplichtig voor de volksverzekeringen is de verzekerde." B. . De Algemene Ouderdomswet (AOW) houdt in: "(...) Art. 2. Ingezetene (...) is degene, die in Nederland woont. Art. 3. 1. Waar iemand woont (...) wordt naar de omstandigheden beoordeeld. 2. Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen (...) welke in Nederland hun thuishaven hebben, ten opzichte van de bemanning als deel van Nederland beschouwd. 3. Hij die Nederland metterwoon heeft verlaten en binnen een jaar nadien metterwoon terugkeert zonder inmiddels in de Nederlandse Antillen, Aruba of op het grondgebied van een andere Mogendheid te hebben gewoond, wordt ook voor de duur van zijn afwezigheid geacht in Nederland te hebben gewoond. (...) Art. 6. 1. Verzekerd (...) is degene, die nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, en a. ingezetene is; b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. 2. Bij (...) algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden. (...)" C. . Aan art. 6, lid 2, AOW is uitvoering gegeven bij Koninklijk besluit (KB) van 20 december 1956, Stb. 624 (uitbreiding en beperking kring der verzekerden; hierna te noemen het KB van 1956), dat inhield: "(...) Artikel 1. Als verzekerde (...) wordt aangemerkt (...): (...) i. de Nederlander, die, in dienstbetrekking staande tot een binnen het Rijk wonende of gevestigde werkgever, deel uitmaakt van de bemanning van een zeevaartuig, dat niet binnen het Rijk zijn thuishaven heeft, mits hij woont aan boord van dat vaartuig; (...) Artikel 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid van artikel 6 van de Algemene Ouderdomswet wordt niet als verzekerde (...) aangemerkt: a. de ingezetene, die buiten het Rijk in dienstbetrekking arbeid verricht en terzake van die arbeid krachtens een in het land, waar hij werkt, geldende wettelijke regeling inzake ouderdomspensioen verzekerd is; (...)" D. . Ter gelegenheid van de inwerkingtreding van de Algemene Weduwen- en Wezenwet werd het KB van 1956 vervangen door het KB van 10 juli 1959, Stb. 230 (uitbreiding en beperking kring der verzekerden; hierna te noemen het KB van 1959), inhoudend: "(...) Artikel 1. 1. Als verzekerde wordt aangemerkt: (...) i. de Nederlander, die, in dienstbetrekking staande tot een binnen het Rijk wonende of gevestigde werkgever, deel uitmaakt van de bemanning van een zeevaartuig, dat niet binnen het Rijk zijn thuishaven heeft, mits hij woont aan boord van dat vaartuig; (...) Artikel 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid van artikel 6 van de Algemene Ouderdomswet (...) wordt niet als verzekerde (...) aangemerkt: a. de ingezetene, die buiten het Rijk in dienstbetrekking arbeid verricht en ter zake van die arbeid krachtens een in het land, waar hij werkt, geldende wettelijke regeling inzake geldelijke gevolgen van ouderdom en overlijden verzekerd is; (...)" E. . Hof 's-Gravenhage 20 september 1960, nr. 43/1960 E II, BNB 1961/174 , betrof de premieheffing AOW 1957 ten laste van een in Nederland wonende, op een buitenlands zeeschip werkende, zeeman. . Hof 's-Gravenhage overwoog (blz. 496, regels 3-45 ): "(...) In art. 2, sub a, van het Besluit wordt (...) buiten den kring der verzekerden gesteld de buiten Nederland in dienstbetrekking arbeid verrichtende verzekerde naar het recht van het land, waar hij werkt. Letterlijk gelezen valt onder de uitzondering dus niet de buiten Nederland in dienstbetrekking arbeid verrichtende verzekerde naar het recht van een vreemd land, op een zeeschip van welks nationaliteit hij werkt. De vraag is gerezen, of in het Besluit met voordacht een onderscheid is gemaakt, dan wel de redactie onwillekeurig wat te eng is uitgevallen, in welk laatste geval termen zouden bestaan den in het buitenland verzekerde, die niet werkt in het land waar hij verzekerd is, doch op een zeeschip va Centrale Raad van Beroep 25 juli 1961 overwoog in gelijke zin als Hof 's-Gravenhage en oordeelde derhalve de weduwe gerechtigd tot de uitkering. 2. . Uw Raad overwoog (blz. 77, regels 9-14), "dat de beslissing nopens het recht op weduwenpensioen te dezen afhankelijk is van het antwoord op de vraag of X tijdens zijn leven al dan niet viel onder de omschrijving van [artikel 2, onder a, KB van 1959]; dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, daar geen voldoende grond bestaat in deze bepaling met arbeid in een land arbeid verricht op een schip dat in dat land thuis behoort gelijk te stellen (...)" G. . Met werking, ingaande 1 januari 1968, werd het KB van 1959 vervangen door het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen, Stb. 1968, 575 (Besluit uitbr. bep. 1968), dat inhield: "(...) Artikel 1. 1. Als verzekerde wordt aangemerkt: (...) h. de Nederlander, die, in dienstbetrekking staande tot een binnen het Rijk wonende of gevestigde werkgever, deel uitmaakt van de bemanning van een zeevaartuig, dat niet binnen het Rijk zijn thuishaven heeft, mits hij voor de heffing van de loonbelasting geacht wordt zijn dienstbetrekking binnen het Rijk te vervullen (...) Artikel 2. 1. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid van [artikel] 6 van de Algemene Ouderdomswet (...) wordt niet als verzekerde (...) aangemerkt: a. de ingezetene, die buiten het Rijk in dienstbetrekking arbeid verricht en ter zake van die arbeid krachtens een in het land, waar hij werkt, geldende wettelijke regeling inzake uitkering wegens ouderdom en overlijden alsmede inzake kinderbijslag verzekerd is; (...)" H. . Met ingang van 1 oktober 1976 werd het Besluit uitbr. bep. 1968 vervangen door het Besluit uitbr. bep. 1976, Stb. 557, inhoudende: "(...) Artikel 1. 1. Als verzekerde wordt aangemerkt: (...) h. de Nederlander, die, in dienstbetrekking staande tot een binnen het Rijk wonende of gevestigde werkgever, deel uitmaakt van de bemanning van een zeevaartuig, dat niet binnen het Rijk zijn thuishaven heeft, mits hij voor de heffing van de loonbelasting geacht wordt zijn dienstbetrekking binnen het Rijk te vervullen (...) Artikel 2. 1. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid van [artikel] 6 van de Algemene Ouderdomswet (...) wordt niet als verzekerde (...) aangemerkt: a. de ingezetene, die buiten het Rijk in dienstbetrekking arbeid verricht en ter zake van die arbeid krachtens een in het land, waar hij werkt, geldende wettelijke regelingen inzake uitkeringen wegens ouderdom, overlijden en langdurige arbeidsongeschiktheid alsmede inzake kinderbijslag verzekerd is; (...)" I. . Wijziging met ingang van 1 januari 1980. 1. . Bij KB van 1 juli 1980, Stb. 388, werden in art. 2, lid 1, letter a, Besluit uitbr. bep. 1976 de woorden "in het land, waar hij werkt, geldende wettelijke regelingen" vervangen door de woorden "buitenlandse wettelijke regeling". . De in het Stb. opgenomen Nota van toelichting hield in (blz. 4, 2e al .): "Artikel 2, eerste lid, onderdeel a (...) kan niet worden toegepast op zeelieden, omdat deze immers niet in een land werkzaam zijn. Deze opvatting is door de rechtspraak bevestigd. Gebleken is echter dat er zich vele gevallen voordoen, waarin hier te lande wonende zeelieden als gevolg van die bepaling dubbel verzekerd zijn en zich dientengevolge ook geplaatst zien voor dubbele premiebetaling. (...) Wij achten het bestaande onderscheid tussen zeelieden en niet-zeelieden niet langer gewenst." J. . Ter voorbereiding van een integrale herziening van het Besluit uitbr. bep. 1976 verscheen het "Inventarisatierapport KB 557" (Probleempunten etc. in het "Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen" van 19 oktober 1976, Stb. 557), uitgave stafafdeling externe betrekkingen Sociale Verzekeringsraad, juli 1983. Het hield in: "(blz. 62) (...) Artikel 2, eerste lid (...) 15 Onderdeel a (...) 15.2 (...) (blz. 63) (...) De bedoeling van de bepaling is het voorkomen van dubbele verzekering. Oorspronke B69/721, punt 1, zoals gewijzigd bij resoluties tot en met die van 26 juli 1989, nr. IFZ 89-738, inzake toepassing van supranationale, multilaterale en bilaterale regelingen op het gebied van de sociale verzekering, Fiscale encyclopedie de Vakstudie, deel 4, onderdeel Premie volksverzekeringen 1990, bijlage 7 (Suppl. 650 (maart 1996)), houdt in (blz. 1): "Degenen die zeevarend zijn, kunnen worden verdeeld in de volgende drie groepen: 1. Zeevarenden die in Nederland wonen; 2. Zeevarenden die in een ander land dan Nederland wonen; 3. Zeevarenden die aan boord van een schip wonen (...) 1. Zeevarenden die in Nederland wonen A. (...) Zeevarenden, ongeacht hun nationaliteit, die in Nederland wonen, zijn in beginsel hier te lande verzekerd. (...)" N. . Hof Amsterdam 11 januari 1995, nr. 93/2315, VN 21 september 1995, blz. 3165, punt 15, overwoog voor de inkomstenbelasting en de premieheffing 1991: "(blz. 3165) (...) 2.1. Belanghebbende is werkzaam (...) in dienstbetrekking (...) Als zodanig verricht belanghebbende zijn werkzaamheden op het buiten de territoriale wateren gelegen Nederlandse deel van het continentale plat. Zijn rooster houdt in dat hij aldaar een of twee weken werkt en de andere een of twee weken in Nederland verblijft. (...) 2.2. Belanghebbende is tevens lid van de vrijwillige brandweer (...) In het onderhavige jaar heeft hij uit dien hoofde (...) ongeveer 33 oefenuren en ongeveer 3 blus- en hulpverleningsuren gemaakt. (blz. 3166) (...) 5.1. (...) Het geheel van de omstandigheden waaronder de werkzaamheden worden verricht, leidt tot de conclusie dat sprake is van werkzaamheden in het economische verkeer. Alsdan kan niet worden gezegd dat belanghebbende uitsluitend buiten Nederland arbeid heeft verricht. (...)" O. . Bij KB van 20 december 1991, Stb. 761, werd het Besluit uitbr. bep. 1989 met ingang van 1 januari 1992 gewijzigd. 1. . Art. 10 Besluit uitbr. bep. 1989 werd geredigeerd: "1. Niet verzekerd ingevolge de volksverzekeringen is de ingezetene die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid verricht. (...) 4. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder arbeid buiten Nederland niet verstaan arbeid verricht op het buiten de territoriale zee onder de Noordzee gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan, voor zover het Koninkrijk der Nederlanden daar op grond van het internationale recht ten behoeve van de exploratie en de exploitatie van natuurlijke rijkdommen soevereine rechten mag uitoefenen, mits deze arbeid plaatsvindt op installaties en andere inrichtingen die in, op of boven dat gebied aanwezig zijn ten behoeve van de exploratie en de exploitatie van natuurlijke rijkdommen van dat gebied." 2. . De in het Stb. bij het wijzigingsbesluit afgedrukte Nota van toelichting hield in: "(blz. 3, 1e al.) Algemeen 1. (...) (2e al.) Aan de term "uitsluitend" wordt in het besluit geen nadere invulling gegeven. (...) (3e al.) In de uitvoeringspraktijk is gebleken dat artikel 10 in een aantal situaties moeilijk toepasbaar is. Op grond daarvan achten wij het noodzakelijk artikel 10 te vervangen door een nieuw artikel, waarin duidelijker wordt aangegeven in welke gevallen de verzekerings- en premieplicht ter zake van in het buitenland verrichte arbeid dient te vervallen. (4e al.) Het Nederlands deel van het continentaal plat buiten de territoriale wateren behoort niet tot het grondgebied van Nederland. Gevolg daarvan is, dat de verzekerings- en premieplicht ingevolge de volksverzekeringen van personen die wonen in Nederland, maar werken op dit deel van het continentaal plat, op dit moment vervalt indien aan de voorwaarden van artikel 10 (...) is voldaan. Wij achten deze situatie niet wenselijk. De exploratie en exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van het continentaal plat vallen (...) onder de soevereine macht van de kuststaat. In onze visie heeft Nederland met betrekking tot de rechtspositie van ingezetenen werkzaam op het Nederlands deel van het c Hieruit volgt dat hij zeevarende is (...) Voor de verzekeringspositie van zeevarenden die in Nederland wonen baseer ik mij op de Resolutie van 5 maart 1969, nr. B69/721 zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij de Resolutie van 26 juli 1989 nr. IFZ 89-738. (blz. 3) Deze resolutie gaat uit van het beginsel dat zeevarenden, die in Nederland wonen, hier te lande verzekerd zijn. (...) Zoals gemachtigde terecht concludeert heeft Nederland geen verdrag inzake sociale zekerheid gesloten met de Nederlandse Antillen (...) De EEG verordening 1408/71 is niet van toepassing (...) Evenmin zijn de verdragen inzake sociale zekerheid, die Nederland met Groot-Brittannië en Noorwegen gesloten heeft, van toepassing (...) Anders dan gemachtigde trek ik hieruit de conclusie dat nog twee elementen over zijn die leiden tot verplichte verzekering in Nederland nl. het ingezetenschap en het feit dat de werkgever hier te lande is gevestigd. Op de hoofdregel dat ingezeten werknemers steeds hier te lande verzekerd zijn, (...) maakt KB 164 (BUB 1989) alleen in art. 10 eerste lid een uitzondering door te bepalen dat wanneer de werkzaamheden gedurende een periode van tenminste 3 maanden uitsluitend buiten Nederland plaatsvinden, de verzekeringsplicht wordt toegewezen aan de werkstaat. Deze formulering sluit aan bij de internationale doelstelling dat men verzekerd is in het land waar arbeid wordt verricht. Supranationale en internationale regelingen zijn bedoeld om één stelsel van sociale zekerheid aan te wijzen (...) en om aldus dubbele verzekering te voorkomen. Het kan niet de bedoeling zijn dat nergens verzekeringsplicht ontstaat. Nu de verdragen inzake sociale zekerheid met Groot-Brittannië en Noorwegen niet leiden tot verzekering aldaar (...), blijft de verzekeringsplicht in het woonland Nederland in stand. De beperking van de Nederlandse kring van verzekerden betreft ingezetenen die geacht worden een vergelijkbare bescherming van een buitenlands stelsel inzake sociale zekerheid te genieten. Dit staat weliswaar sinds 1 juli 1989 niet meer letterlijk in art. 10 (...) maar ik betwijfel of hiermee een materiële wijziging bedoeld is met het oude BUB (KB 557). Het kan niet de bedoeling van de wetgever zijn om Nederlandse ingezetenen, die nergens anders ter wereld verzekerd zijn, uit te sluiten van sociale zekerheid. (blz. 4) Indien uitsluitend gekeken wordt naar de nationale wetgeving inzake sociale zekerheid dan ben ik van mening dat belanghebbende verplicht verzekerd is op grond van art. 6 lid 1 letter a in samenhang met art. 3 lid 2 van de Algemene Ouderdomswet. Hij verricht zijn arbeid immers aan boord van een vaartuig met een Nederlandse thuishaven. Ik ben van mening dat de beperking krachtens art. 10 BUB 1989 niet aan de orde komt als verzekeringsplicht ontstaat op grond van art. 3 lid 2 van de Algemene Ouderdoms Wet. (...) Nu sprake is van het slechts tijdelijk werkzaam zijn in het buitenland in opdracht van een Nederlandse onderneming ben ik subsidiair van mening dat sprake is van detachering waardoor de verzekeringsplicht in het woonland in stand blijft. (...)" C. . De conclusie van repliek hield in: "(blz. 2) (...) De resolutie mist (...) zelfstandige betekenis omdat het (...) een overzicht geeft van de uitkomsten van EG-verordening 1408/71, enige multilaterale overeenkomsten waarbij Nederland partij is en de sociale verzekeringsverdragen welke Nederland met een aantal staten heeft gesloten. Mochten deze verdragen zelf tot een andere uitkomst leiden dan heeft die voorrang. Mocht een verdrag ten aanzien van een bepaalde situatie geen toepasselijke wetgeving aanwijzen dan wijst ook de resolutie geen wetgeving aan. De inspecteur meldt dat de resolutie uitgaat van het beginsel dat zeevarenden, die in Nederland wonen, hier te lande verzekerd zijn. Deze bepaling is naar de mening van ondergetekende niet in de resolutie opgenomen om een uitzondering te geven op artikel 10 B.U.B. 1989 (...), evenmin om dit besluit niet van toepassing te laten zijn. De resolut aangehaalde bepalingen, was belanghebbende, als zeevarende (belanghebbende moet, ondanks het bijzondere karakter van het vaartuig, als zodanig worden beschouwd) met de Nederlandse nationaliteit die in Nederland woont en tot een in Nederland gevestigde werkgever in dienstbetrekking staat, gedurende het gehele jaar 1992 verplicht verzekerd voor de volksverzekeringen. Gelet op de samenhang tussen de verschillende bepalingen, in het bijzonder tussen artikel 3 van de Algemene Ouderdomswet en artikel 4 van het BUB 1989, ligt het niet voor de hand dat artikel 10, lid 1, van het BUB 1989 ook is bedoeld voor zeevarenden die behoudens het feit dat zij in Nederland wonen in plaats van aan boord van hun vaartuig, voldoen aan de omschrijving van artikel 4 van het BUB 1989. De onder 2.6. aangehaalde zinsnede uit de Resolutie verdragstoepassing ten aanzien van zeevarenden is dus (nog steeds) in overeenstemming met de wettelijke regeling. (blz. 6) 2.9. EEG-verordening nr. 1408/71 brengt in dit geval geen wijziging in de situatie. Het continentaal plat (buiten de territoriale wateren) behoort, in de zin van de Verordening, niet tot het grondgebied van de lid-staten. 2.10. Het verdrag met Noorwegen (Verdrag van 13 april 1989, Trb. 1990, 25) brengt, voor een opvarende van een vaartuig als het onderhavige, evenmin wijziging in de situatie. (...)" V. . De middelen en de beoordeling ervan. A. . De middelen IV en V zijn gericht tegen 's Hofs overweging 2.8 (blz. 5), die erop neerkomt dat art. 10, lid 1, Besluit uitbr. bep. 1989 niet geldt voor personen die in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever deel uitmaken van de bemanning van een zeevaartuig. B. . Ik stel voorop dat het Hof, dat zijn uiteenzetting klaarblijkelijk doelbewust onder 2.1-5, blz. 4 v., aanvangt met een letterlijke weergave van de naar zijn oordeel relevante wettelijke voorschriften, in overweging 2.6, blz. 5, voortgaat met een stelling die ontleend is aan de gewijzigde resolutie van 1969. De daardoor gewekte indruk dat het Hof aldus de resolutie als een geldingsbron van recht zou aanvaarden, wordt weerlegd door de zelfstandige argumentatie die het Hof in overweging 2.8 voor de stelling geeft. C. . Die argumentatie steunt evenwel in belangrijke mate op een opvatting van art. 4 Besluit uitbr. bep. 1989 die noch door zijn woorden, noch door zijn toelichting, noch door zijn systematiek wordt gerechtvaardigd. 1. . Door zijn woorden niet omdat het vereiste dat de betrokkene aan boord van het vaartuig woont, daarvan een wezenlijk onderdeel uitmaakt, zodat het voorschrift geen betekenis heeft voor de belanghebbende, van wie vaststaat dat hij in Nederland woont. 2. . Door zijn geschiedenis niet omdat de toelichting uitwijst dat het voorschrift alleen betrekking kan hebben op vaartuigen die niet in Nederland hun thuishaven hebben, en het Hof in overweging 1.2, blz. 2, tot de vaststaande feiten heeft gerekend dat het vaartuig R als thuishaven heeft. 3. . Door zijn systematiek niet omdat het voorschrift behoort tot de rubriek van bepalingen die de kring van verzekerden uitbreiden, terwijl het in de thans te beslissen zaak uitsluitend gaat om de vraag of een beperking al dan niet van toepassing is. D. . Het is immers buiten kijf dat de belanghebbende volgens de wetgeving in formele zin (dus het Besluit uitbr. bep. 1989 buiten beschouwing gelaten) in Nederland premieplichtig is. E. . Vervolgens is het de vraag - de enige vraag - of de bepalingen die de kring van verzekerden beperken, een zodanige beperking inhouden. Daarbij gaat het uitsluitend om art. 10 Besluit uitbr. bep. 1989. F. . Nu hield art. 2, lid 1, aanhef en letter a, Besluit uitbr. bep. 1976 een regeling in, waarin het verzekerd zijn in het buitenland een vereiste vormde voor de beperking. G. . In 1989 werd daarin wijziging gebracht doordat in art. 10 Besluit uitbr. bep. 1989 het vereiste niet werd opgenomen. Deze wijziging werd blijkens de toelichting doelbewust aangebracht op grond dat eventuele verzekering ter zake van a