Rechtspraak Hoge Raad 1997-11-05
ECLI:NL:HR:1997:AA3317
gewezen op het beroep in cassatie van X (de Erven A) te Z en de K-Kerk te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 april 1996 betreffende de terzake van na te melden schenking voor het jaar 1984 opgelegde aanslag in het recht van schenking. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Terzake van een schenking door A aan de K-Kerk is een aanslag in het recht van schenking opgelegd naar een verkrijging van f. 8.000,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbenden zijn van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend. 3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie moet, deels als door het Hof vastgesteld, deels - daarbij afgaande op de stukken van het geding - veronderstellenderwijs, worden uitgegaan van het volgende. 3.1.1. A, die in 1991 is overleden, was lid van de K-Kerk te Z (hierna: de Kerk). De Kerk telde minder dan 300 leden. A en zijn beide broers plachten jaarlijks een bijdrage aan de Kerk te voldoen. In het onderhavige jaar (1984) heeft A uit dien hoofde een bedrag van f. 13.500,-- voldaan en in de jaren 1985 tot en met 1987 respectievelijk f. 14.000,--, f. 12.000,-- en f. 10.500,--. De Inspecteur heeft van deze bedragen een bedrag overeenkomende met circa vier percent van het belastbare inkomen van A aangemerkt als strekkende tot voldoening aan een verplichting welke enkel berust op de voorschriften van de moraal of het fatsoen, als bedoeld in artikel 33, lid 1, onder 12 van de Successiewet 1956 (in de voor die jaren geldende tekst) en terzake van het meerdere schenkingsrecht geheven. Het belastbare inkomen van A bedroeg over die jaren f. 132.599,--; f. 121.219,--; f. 119.148,-- en f. 138.198,--. Hij beschikte over een aanzienlijk vermogen. 3.1.2. Anders dan voor de kerkgenootschappen die deelnemen aan de Aktie Kerkbalans bestonden binnen de Kerk, die niet aan die Aktie deelnam, noch landelijk noch plaatselijk richtlijnen voor het verstrekken van vrijwillige bijdragen. Gemiddeld werd per betalend lid van de Kerk een kerkelijke bijdrage betaald ter grootte van circa drie percent van het modale inkomen en van twee percent daarvan als de door A en zijn beide broers betaalde bijdragen buiten beschouwing worden gelaten. 3.1.3. In 1989 en in 1990 beliepen de bijdragen van de leden van de Kerk in totaal circa f 128.000,-- respectievelijk f. 124.500,--. Deze bijdragen zijn voldaan door 73 respectievelijk 74 leden. Met deze bijdragen zijn de lopende uitgaven van de Kerk gedekt. 3.2. Het geschil voor het Hof betrof vooral de vraag in hoeverre de bijdrage die A jaarlijks aan de Kerk deed, is vrijgesteld van het recht van schenking op de grond dat die bijdrage heeft gestrekt tot voldoening aan een verplichting in voormelde zin. 3.3. Van voldoening aan zodanige verplichting is sprake indien de omstandigheden van het geval en de verhouding van de daarbij betrokken personen of instellingen naleving van die verplichting zo dringend maken dat degene ten opzichte van wie de verplichting bestaat, de naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een hem toekomende prestatie mag beschouwen. 3.4. Het Hof heeft - met juistheid ervan uitgaande dat de leden van een kerkgenootschap krachtens een verplichting berustende op de voorschriften van moraal of fatsoen gehouden zijn om naar vermogen in de financiële behoeften van het kerkgenootschap, waarvan zij lid zijn, bij te dragen - geoordeeld dat van de bijdrage die A in 1984 aan de Kerk heeft voldaan, niet meer dan een gedeelte ter grootte van circa vier percent van zijn belastbare inko